Laden

De Lange Toespraken

DN22. De Grote Leerrede over het Cultiveren van Aandacht

Vertalingen [37]

De Grote Leerrede over het Cultiveren van Aandacht

Aldus heb ik gehoord.

Inleiding

Eens verbleef de Bhagavat in Kuru, in het marktstadje Kammasadhamma. Daar richtte hij zich tot de monniken:

“Monniken.”

“Heer”, antwoordden de monniken. Daarop sprak de Bhagavat als volgt:

“Monniken, dit is een (enige/directe/ongeëvenaarde) weg die leidt tot zuivering van de wezens; tot het overstijgen van verdriet en zorgen; tot het beëindigen van dukkha en angst; en tot het verkrijgen van de juiste methode voor het realiseren van nibbana, namelijk door het viervoudig vestigen van opmerkzaamheid.”

En hoe, Monniken, wordt deze opmerkzaamheid viervoudig gevestigd?

Welnu, Monniken,

  1. een beoefenaar observeert volhardend het lichaam in het lichaam. Dit doet hij ijverig en energiek; met helder begrip en diep inzicht in de vergankelijkheid; penetrerend aandachtig; en vrij en onthecht van elk werelds verlangen en afkeer.
  2. Hij observeert volhardend de gewaarwordingen in de gewaarwordingen. Dit doet hij ijverig en energiek; met helder begrip en diep inzicht in de vergankelijkheid; penetrerend aandachtig; en vrij en onthecht van elk werelds verlangen en afkeer.
  3. Hij observeert volhardend de geest in de geest. Dit doet hij ijverig en energiek; met helder begrip en diep inzicht in de vergankelijkheid; penetrerend aandachtig; en vrij en onthecht van elk werelds verlangen en afkeer.
  4. Hij observeert volhardend de geestinhoud in de geestinhoud. Dit doet hij ijverig en energiek, met helder begrip en diep inzicht in de vergankelijkheid; penetrerend aandachtig; en vrij en onthecht van elk werelds verlangen en afkeer.

De observatie van het lichaam

Verhandeling over de opmerkzaamheid op de Ademhaling.

“En hoe observeert een monnik volhardend het lichaam in het lichaam?

Nadat een beoefenaar naar het bos, naar de voet van een boom, of naar een lege hut gegaan is, gaat hij met gekruiste benen zitten, met rechte rug, terwijl hij zijn aandacht richt op het gebied rond de mond.

Hij ademt bewust aandachtig in; hij ademt bewust aandachtig uit.

Als hij diep (kalm, rustig, lang) inademt, weet hij dat hij diep inademt; als hij diep uitademt, weet hij dat hij diep uitademt.

Als hij snel (oppervlakkig, gestresseerd, vlug, kort) inademt, weet hij dat hij snel inademt; als hij snel uitademt, weet hij dat hij snel uitademt.

Op deze manier traint de monnik zichzelf:

Terwijl hij inademt, oefent hij zich om bewust te zijn van zijn hele lichaam; terwijl hij uitademt oefent hij zich om bewust te zijn van zijn hele lichaam.

Terwijl hij inademt oefent hij zich om het hele lichaam tot rust te brengen; terwijl hij uitademt oefent hij zich om het hele lichaam tot rust te brengen.

Monniken, het is te vergelijken met iemand die een draaibank bedient, of met een leerling die een draaibank bedient. Wanneer zo iemand een lange draai geeft, weet hij:

‘Ik geef een lange draai,’ en wanneer hij een korte draai geeft, weet hij: ‘Ik geef een korte draai.’

Precies zo, weet een monnik wanneer hij diep inademt: ‘Ik adem diep in.’ Wanneer hij diep uitademt, weet hij: ‘Ik adem diep uit.’ Wanneer hij snel inademt, weet hij: ‘Ik adem snel in.’ Wanneer hij snel uitademt, weet hij: ‘Ik adem snel uit.’

[En verder:]

‘Ik adem in en oefen me om bewust te zijn van mijn hele lichaam.’ ‘Ik adem uit en oefen me om bewust te zijn van mijn hele lichaam.’

‘Ik adem in en oefen me om mijn hele lichaam tot rust te brengen.’ ‘Ik adem uit en oefen me om mijn hele lichaam tot rust te brengen.’

Zo traint de monnik zichzelf.”

“Zo blijft de monnik volhardend het lichaam in het eigen lichaam observeren; blijft hij het lichaam in het lichaam van de anderen observeren; en blijft hij het lichaam zowel in het eigen lichaam als in het lichaam van de anderen observeren.

Zo blijft de monnik volhardend het proces van ontstaan in het lichaam observeren; blijft hij het proces van vergaan in het lichaam observeren; en blijft hij volhardend zowel het proces van ontstaan als het proces van vergaan in het lichaam observeren.

Na deze aandachtige observatie is zijn opmerkzaamheid als volgt gevestigd: ‘zó is het lichaam!’

Aldus ontwikkelt zijn opmerkzaamheid zich tot helder begrip en continue aandacht. Zo blijft hij volhardend observeren, vrij en onthecht, zonder zich vast te klampen aan wat dan ook in de wereld.

Zo, Monniken, blijft een monnik het lichaam in het lichaam observeren.”

Verhandeling over de vier (basis) lichaamshoudingen.

“En verder, monniken, weet een beoefenaar, als hij loopt, dat hij loopt; als hij staat, dat hij staat; als hij zit, dat hij zit; en als hij ligt, dat hij ligt. In welke houding zijn lichaam zich ook bevindt, altijd is hij er zich bewust van en hij begrijpt dat goed.”

“Zo blijft de monnik volhardend het lichaam in het eigen lichaam observeren; blijft hij het lichaam in het lichaam van de anderen observeren; en blijft hij het lichaam zowel in het eigen lichaam als in het lichaam van de anderen observeren.

Zo blijft de monnik volhardend het proces van ontstaan in het lichaam observeren; blijft hij het proces van vergaan in het lichaam observeren; en blijft hij volhardend zowel het proces van ontstaan als het proces van vergaan in het lichaam observeren.

Na deze aandachtige observatie is zijn opmerkzaamheid als volgt gevestigd: ‘zó is het lichaam!’.

Aldus ontwikkelt zijn opmerkzaamheid zich tot helder begrip en continue aandacht. Zo blijft hij volhardend observeren, vrij en onthecht, zonder zich vast te klampen aan wat dan ook in de wereld.

Zo, Monniken, blijft een monnik het lichaam in het lichaam observeren.”

Verhandeling over het diepgaand begrijpen van de vergankelijkheid van de lichaamshandelingen.

“En verder, Monniken, is een beoefenaar zich voortdurend helder bewust van de vergankelijkheid van zijn lichaamshandelingen. Dit is het geval wanneer hij voor- of achteruit gaat. Maar ook wanneer hij voor zich uit kijkt of opzij kijkt; bij het buigen en strekken van zijn ledematen; bij het dragen van zijn overkleed, zijn bedelnap en zijn mantel; bij het eten en drinken, kauwen en proeven; wanneer hij zich ontlast of urineert; bij het gaan, staan, zitten, slapen, waken, spreken en zwijgen.

Steeds is de beoefenaar zich helder bewust van de vergankelijkheid van zijn lichaamshandelingen.”

“Zo blijft de monnik volhardend het lichaam in het eigen lichaam observeren; blijft hij het lichaam in het lichaam van de anderen observeren; en blijft hij het lichaam zowel in het eigen lichaam als in het lichaam van de anderen observeren.

Zo blijft de monnik volhardend het proces van ontstaan in het lichaam observeren; blijft hij het proces van vergaan in het lichaam observeren; en blijft hij volhardend zowel het proces van ontstaan als het proces van vergaan in het lichaam observeren.

Na deze aandachtige observatie is zijn opmerkzaamheid als volgt gevestigd: ‘zó is het lichaam!’.

Aldus ontwikkelt zijn opmerkzaamheid zich tot helder begrip en continue aandacht. Zo blijft hij volhardend observeren, vrij en onthecht, zonder zich vast te klampen aan wat dan ook in de wereld.

Zo, Monniken, blijft een monnik het lichaam in het lichaam observeren.”

Verhandeling over het afstotelijke van de anatomische bestanddelen van het lichaam.

“En verder, Monniken, beschouwt een beoefenaar—van de tippen van zijn tenen tot de top van zijn hoofd en van de top van zijn hoofd tot de tippen van zijn tenen—het afstotelijke van de anatomische bestanddelen van dit lichaam, dat omhult is door huid en gevuld met allerlei viezigheid dat onderhevig is aan bederf en hij denkt als volgt: ‘Aan dit lichaam zitten hoofdharen, lichaamsharen, nagels, tanden, huid, vlees, pezen, botten, beenmerg, nieren, hart, lever, vliezen, milt, longen, ingewanden, darmen, maag, ontlasting, gal, slijm, pus, bloed, zweet, vet, tranen, talg, speeksel, snot, gewrichtssmeer en urine.’

Het is te vergelijken met een buidelzak—met aan de boven- en aan de onderkant een opening—die gevuld is met verschillende soorten granen en zaden, zoals rijst van droge teelt, rijst van natte teelt, mungbonen, tuinbonen, sesamzaad en gepelde rijst. Als een man met scherpe blik [met een goed observatievermogen én met kennis van granen en zaden] dat leegschudt en de inhoud overziet, dan stelt hij vast: ‘Dit is rijst van droge teelt, dit is rijst van natte teelt, dit zijn mungbonen, dit zijn tuinbonen, dit is sesamzaad en dit is gepelde rijst.’

Op eenzelfde manier beschouwt een beoefenaar dit lichaam—van de tippen van zijn tenen tot de top van zijn hoofd en van de top van zijn hoofd tot de tippen van zijn tenen—dat omhult is door huid en gevuld met allerlei viezigheid dat onderhevig is aan bederf en hij denkt als volgt bij zichzelf: ‘Aan dit lichaam zitten: hoofdharen, lichaamsharen, nagels, tanden, huid, vlees, pezen, botten, beenmerg, nieren, hart, lever, vliezen, milt, longen, ingewanden, darmen, maag, ontlasting, gal, slijm, pus, bloed, zweet, vet, tranen, talg, speeksel, snot, gewrichtssmeer en urine.’”

“Zo blijft de monnik volhardend het lichaam in het eigen lichaam observeren; blijft hij het lichaam in het lichaam van de anderen ob- serveren; en blijft hij het lichaam zowel in het eigen lichaam als in het lichaam van de anderen observeren.

Zo blijft de monnik volhardend het proces van ontstaan in het lichaam observeren; blijft hij het proces van vergaan in het lichaam observeren; en blijft hij volhardend zowel het proces van ontstaan als het proces van vergaan in het lichaam observeren.

Na deze aandachtige observatie is zijn opmerkzaamheid als volgt gevestigd: ‘zó is het lichaam!’.

Aldus ontwikkelt zijn opmerkzaamheid zich tot helder begrip en continue aandacht. Zo blijft hij volhardend observeren, vrij en onthecht, zonder zich vast te klampen aan wat dan ook in de wereld.

Zo, Monniken, blijft een monnik het lichaam in het lichaam observeren.”

Verhandeling over de beschouwing van de elementen.

“En verder, Monniken, beschouwt een beoefenaar dit lichaam—in wat voor houding het zich ook bevindt—in relatie tot de materiële elementen waaruit zijn lichaam bestaat en hij stelt vast: “In dit lichaam bevindt zich het element aarde, het element water, het element vuur en het element lucht.”

Het is te vergelijken met een vaardige runderslager of zijn leerlingslager die een koe zou slachten en de koe op een kruispunt van wegen in vier stukken zou verdelen.

Evenzo beschouwt een monnik dit lichaam—in wat voor houding het zich ook bevindt—in relatie tot de materiële elementen waaruit zijn lichaam bestaat en hij stelt vast: ‘Er bevinden zich in dit lichaam het element aarde, het element water, het element vuur en het element lucht.”

“Zo blijft de monnik volhardend het lichaam in het eigen lichaam observeren; blijft hij het lichaam in het lichaam van de anderen observeren; en blijft hij het lichaam zowel in het eigen lichaam als in het lichaam van de anderen observeren.

Zo blijft de monnik volhardend het proces van ontstaan in het lichaam observeren; blijft hij het proces van vergaan in het lichaam observeren; en blijft hij volhardend zowel het proces van ontstaan als het proces van vergaan in het lichaam observeren.

Na deze aandachtige observatie is zijn opmerkzaamheid als volgt gevestigd: ‘zó is het lichaam!’.

Aldus ontwikkelt zijn opmerkzaamheid zich tot helder begrip en continue aandacht. Zo blijft hij volhardend observeren, vrij en onthecht, zonder zich vast te klampen aan wat dan ook in de wereld.

Zo, Monniken, blijft een monnik het lichaam in het lichaam observeren.”

Verhandeling over de negen knekelvelden.

“En verder, Monniken, beschouwt een beoefenaar dit lichaam, alsof hij zou kijken naar een lijk dat op een knekelveld geworpen is en daar ligt, één dag dood, twee dagen dood of drie dagen dood, opgezwollen, donkerblauw geworden en in staat van ontbinding en hij denkt: “dit lichaam van mij wacht hetzelfde lot, het zal net zo worden, het kan dat lot niet ontlopen.”

“Zo blijft de monnik volhardend het lichaam in het eigen lichaam observeren; blijft hij het lichaam in het lichaam van de anderen observeren; en blijft hij het lichaam zowel in het eigen lichaam als in het lichaam van de anderen observeren.

Zo blijft de monnik volhardend het proces van ontstaan in het lichaam observeren; blijft hij het proces van vergaan in het lichaam observeren; en blijft hij volhardend zowel het proces van ontstaan als het proces van vergaan in het lichaam observeren.

Na deze aandachtige observatie is zijn opmerkzaamheid als volgt gevestigd: ‘zó is het lichaam!’.

Aldus ontwikkelt zijn opmerkzaamheid zich tot helder begrip en continue aandacht Zo blijft hij volhardend observeren, vrij en onthecht, zonder zich vast te klampen aan wat dan ook in de wereld.

Zo, Monniken, blijft een monnik het lichaam in het lichaam observeren.”

“En verder, Monniken, observeert een beoefenaar dit lichaam, alsof hij zou kijken naar een lijk dat op een knekelveld is geworpen en door kraaien, raven, gieren, valken, honden, tijgers, luipaarden, jakhalzen en door verschillende andere soorten dieren wordt aange- vreten en hij denkt: ‘dit lichaam van mij wacht hetzelfde lot, het zal net zo worden, het kan dat lot niet ontlopen’”.

“Zo blijft de monnik volhardend het lichaam in het eigen lichaam observeren; blijft hij het lichaam in het lichaam van de anderen observeren; en blijft hij het lichaam zowel in het eigen lichaam als in het lichaam van de anderen observeren.

Zo blijft de monnik volhardend het proces van ontstaan in het lichaam observeren; blijft hij het proces van vergaan in het lichaam observeren; en blijft hij volhardend zowel het proces van ontstaan als het proces van vergaan in het lichaam observeren.

Na deze aandachtige observatie is zijn opmerkzaamheid als volgt gevestigd: ‘zó is het lichaam!’.

Aldus ontwikkelt zijn opmerkzaamheid zich tot helder begrip en continue aandacht. Zo blijft hij volhardend observeren, vrij en onthecht, zonder zich vast te klampen aan wat dan ook in de wereld.

Zo, Monniken, blijft een monnik het lichaam in het lichaam observeren.”

“En verder, Monniken, observeert een beoefenaar dit lichaam, alsof hij zou kijken naar een lijk dat op een knekelveld is geworpen, en waarvan nog slechts een geraamte over is, met wat vlees en bloed eraan, bijeengehouden door pezen en hij denkt: ‘dit lichaam van mij wacht hetzelfde lot, het zal net zo worden, het kan dat lot niet ontlopen.’”

“Zo blijft de monnik volhardend het lichaam in het eigen lichaam observeren; blijft hij het lichaam in het lichaam van de anderen observeren; en blijft hij het lichaam zowel in het eigen lichaam als in het lichaam van de anderen observeren.

Zo blijft de monnik volhardend het proces van ontstaan in het lichaam observeren; blijft hij het proces van vergaan in het lichaam observeren; en blijft hij volhardend zowel het proces van ontstaan als het proces van vergaan in het lichaam observeren.

Na deze aandachtige observatie is zijn opmerkzaamheid als volgt gevestigd: ‘zó is het lichaam!’.

Aldus ontwikkelt zijn opmerkzaamheid zich tot helder begrip en continue aandacht. Zo blijft hij volhardend observeren, vrij en onthecht, zonder zich vast te klampen aan wat dan ook in de wereld.

Zo, Monniken, blijft een monnik het lichaam in het lichaam observeren.”

“En verder, Monniken, observeert een beoefenaar dit lichaam, alsof hij zou kijken naar een lijk dat op een knekelveld is geworpen, waarvan nog slechts een geraamte over is, zonder enig vlees, maar besmeurd met bloed en bijeengehouden door pezen en hij denkt: ‘Dit lichaam van mij wacht hetzelfde lot, het zal net zo worden, het kan dat lot niet ontlopen.’”

“Zo blijft de monnik volhardend het lichaam in het eigen lichaam observeren; blijft hij het lichaam in het lichaam van de anderen observeren; en blijft hij het lichaam zowel in het eigen lichaam als in het lichaam van de anderen observeren.

Zo blijft de monnik volhardend het proces van ontstaan in het lichaam observeren; blijft hij het proces van vergaan in het lichaam observeren; en blijft hij volhardend zowel het proces van ontstaan als het proces van vergaan in het lichaam observeren.

Na deze aandachtige observatie is zijn opmerkzaamheid als volgt gevestigd: ‘zó is het lichaam!’.

Aldus ontwikkelt zijn opmerkzaamheid zich tot helder begrip en continue aandacht. Zo blijft hij volhardend observeren, vrij en onthecht, zonder zich vast te klampen aan wat dan ook in de wereld.

Zo, Monniken, blijft een monnik het lichaam in het lichaam observeren.”

“En verder, Monniken, observeert een beoefenaar dit lichaam, alsof hij zou kijken naar een lijk dat op een knekelveld is geworpen, waarvan nog slechts een geraamte over is, zonder enig vlees of bloed, bijeengehouden door pezen en hij denkt: ‘dit lichaam van mij wacht hetzelfde lot, het zal net zo worden, het kan dat lot niet ontlopen.’”

“Zo blijft de monnik volhardend het lichaam in het eigen lichaam observeren; blijft hij het lichaam in het lichaam van de anderen observeren; en blijft hij het lichaam zowel in het eigen lichaam als in het lichaam van de anderen observeren.

Zo blijft de monnik volhardend het proces van ontstaan in het lichaam observeren; blijft hij het proces van vergaan in het lichaam observeren; en blijft hij volhardend zowel het proces van ontstaan als het proces van vergaan in het lichaam observeren.

Na deze aandachtige observatie is zijn opmerkzaamheid als volgt gevestigd: ‘zó is het lichaam!’.

Aldus ontwikkelt zijn opmerkzaamheid zich tot helder begrip en continue aandacht. Zo blijft hij volhardend observeren, vrij en onthecht, zonder zich vast te klampen aan wat dan ook in de wereld.

Zo, Monniken, blijft een monnik het lichaam in het lichaam observeren.”

“En verder, Monniken, observeert een beoefenaar dit lichaam, alsof hij zou kijken naar een lijk dat op een knekelveld is geworpen, vervallen tot losse beenderen die in alle richtingen verspreid liggen, een botje van een hand hier, een voetbotje daar, hier een enkelbot, daar een kniebot, hier een dijbeen en daar een bekkenbeen, hier een bot uit de wervelkolom en daar een uit de rug, en daar weer een schouderbot, hier een keelbeentje, daar een kaakbeen, hier een tandbeen en daar een schedelbot en hij denkt: ‘dit lichaam van mij wacht hetzelfde lot, het zal net zo worden, het kan dat lot niet ontlopen.’”

“Zo blijft de monnik volhardend het lichaam in het eigen lichaam observeren; blijft hij het lichaam in het lichaam van de anderen observeren; en blijft hij het lichaam zowel in het eigen lichaam als in het lichaam van de anderen observeren.

Zo blijft de monnik volhardend het proces van ontstaan in het lichaam observeren; blijft hij het proces van vergaan in het lichaam observeren; en blijft hij volhardend zowel het proces van ontstaan als het proces van vergaan in het lichaam observeren.

Na deze aandachtige observatie is zijn opmerkzaamheid als volgt gevestigd: ‘zó is het lichaam!’.

Aldus ontwikkelt zijn opmerkzaamheid zich tot helder begrip en continue aandacht. Zo blijft hij volhardend observeren, vrij en onthecht, zonder zich vast te klampen aan wat dan ook in de wereld.

Zo, Monniken, blijft een monnik het lichaam in het lichaam observeren.”

“En verder, Monniken, observeert een beoefenaar dit lichaam, alsof hij zou kijken naar een lijk dat op een knekelveld is geworpen, vervallen tot verbleekte beenderen, bleek als een schelp en hij denkt: ‘dit lichaam van mij wacht hetzelfde lot, het zal net zo worden, het kan dat lot niet ontlopen.’”

“Zo blijft de monnik volhardend het lichaam in het eigen lichaam observeren; blijft hij het lichaam in het lichaam van de anderen observeren; en blijft hij het lichaam zowel in het eigen lichaam als in het lichaam van de anderen observeren.

Zo blijft de monnik volhardend het proces van ontstaan in het lichaam observeren; blijft hij het proces van vergaan in het lichaam observeren; en blijft hij volhardend zowel het proces van ontstaan als het proces van vergaan in het lichaam observeren.

Na deze aandachtige observatie is zijn opmerkzaamheid als volgt gevestigd: ‘zó is het lichaam!’.

Aldus ontwikkelt zijn opmerkzaamheid zich tot helder begrip en continue aandacht. Zo blijft hij volhardend observeren, vrij en onthecht, zonder zich vast te klampen aan wat dan ook in de wereld.

Zo, Monniken, blijft een monnik het lichaam in het lichaam observeren.”

En verder, Monniken, observeert een beoefenaar dit lichaam, alsof hij zou kijken naar een lijk dat op een knekelveld is geworpen, gereduceerd tot een hoop botten van meer dan een jaar oud en hij denkt: ‘dit lichaam van mij wacht hetzelfde lot, het zal net zo worden, het kan dat lot niet ontlopen.’”

“Zo blijft de monnik volhardend het lichaam in het eigen lichaam observeren; blijft hij het lichaam in het lichaam van de anderen observeren; en blijft hij het lichaam zowel in het eigen lichaam als in het lichaam van de anderen observeren.

Zo blijft de monnik volhardend het proces van ontstaan in het lichaam observeren; blijft hij het proces van vergaan in het lichaam observeren; en blijft hij volhardend zowel het proces van ontstaan als het proces van vergaan in het lichaam observeren.

Na deze aandachtige observatie is zijn opmerkzaamheid als volgt gevestigd: ‘zó is het lichaam!’.

Aldus ontwikkelt zijn opmerkzaamheid zich tot helder begrip en continue aandacht. Zo blijft hij volhardend observeren, vrij en onthecht, zonder zich vast te klampen aan wat dan ook in de wereld.

Zo, Monniken, blijft een monnik het lichaam in het lichaam observeren.”

“En verder, Monniken, observeert een beoefenaar dit lichaam, alsof hij zou kijken naar een lijk dat op een knekelveld is geworpen, de botten weggerot tot poeder en hij denkt: ‘dit lichaam van mij wacht hetzelfde lot, het zal net zo worden, het kan dat lot niet ontlopen.’”

Zo blijft de monnik volhardend het lichaam in het eigen lichaam observeren; blijft hij het lichaam in het lichaam van de anderen observeren; en blijft hij het lichaam zowel in het eigen lichaam als in het lichaam van de anderen observeren.

Zo blijft de monnik volhardend het proces van ontstaan in het lichaam observeren; blijft hij het proces van vergaan in het lichaam observeren; en blijft hij volhardend zowel het proces van ontstaan als het proces van vergaan in het lichaam observeren.

Na deze aandachtige observatie is zijn opmerkzaamheid als volgt gevestigd: ‘zó is het lichaam!’.

Aldus ontwikkelt zijn opmerkzaamheid zich tot helder begrip en continue aandacht. Zo blijft hij volhardend observeren, vrij en onthecht, zonder zich vast te klampen aan wat dan ook in de wereld.

Zo, Monniken, blijft een monnik het lichaam in het lichaam observeren.”

De observatie van gewaarwordingen

“En hoe, Monniken, observeert een beoefenaar volhardend de gewaarwordingen in de gewaarwordingen?

Welnu, wanneer een monnik een aangename gewaarwording ervaart, is hij zich bewust: ‘Ik ervaar een aangename gewaarwording.’

Wanneer hij een onaangename gewaarwording ervaart, is hij zich bewust: ‘Ik ervaar een onaangename gewaarwording.’

Wanneer hij een gewaarwording ervaart, die noch aangenaam noch onaangenaam is—een ‘neutrale’ gewaarwording—is hij zich bewust: ‘Ik ervaar een neutrale gewaarwording.’

Wanneer hij een aangename gewaarwording met gehechtheid ervaart, is hij zich bewust: ‘Ik ervaar een aangename gewaarwording met gehechtheid.’

Wanneer hij een aangename gewaarwording zonder gehechtheid ervaart, is hij zich bewust: ‘Ik ervaar een aangename gewaarwording zonder gehechtheid.’

Wanneer hij een onaangename gewaarwording met gehechtheid ervaart, is hij zich bewust: ‘Ik ervaar een onaangename gewaarwording met gehechtheid.’

Wanneer hij een onaangename gewaarwording zonder gehechtheid ervaart, is hij zich bewust: ‘Ik ervaar een onaangename gewaarwording zonder gehechtheid.’

Wanneer hij een gewaarwording met gehechtheid ervaart, die noch aangenaam noch onaangenaam is—een ‘neutrale’ gewaarwording met gehechtheid—is hij zich bewust: ‘Ik ervaar een neutrale gewaarwording met gehechtheid, een gewaarwording met gehechtheid die noch aangenaam noch onaangenaam is.’

Wanneer hij een gewaarwording zonder gehechtheid ervaart, die noch aangenaam noch onaangenaam is—een ‘neutrale’ gewaarwording zonder gehechtheid—is hij zich bewust: ‘Ik ervaar een neutrale gewaarwording zonder gehechtheid, een gewaarwording zonder gehechtheid die noch aangenaam noch onaangenaam is.’”

“Zo blijft de monnik volhardend de gewaarwordingen in de gewaarwordingen bij zichzelf observeren; blijft hij de gewaarwordingen in de gewaarwordingen bij de anderen observeren; blijft hij de gewaarwordingen zowel bij zichzelf als bij de anderen observeren.

Zo blijft de monnik volhardend het proces van ontstaan van de gewaarwordingen observeren; blijft hij het proces van vergaan van de gewaarwordingen observeren; of blijft hij zowel het proces van ontstaan als het proces van vergaan van de gewaarwordingen observeren.

Na deze aandachtige observatie is zijn opmerkzaamheid als volgt gevestigd: ‘Zó zijn gewaarwordingen!’

Aldus ontwikkelt zijn opmerkzaamheid zich tot helder begrip en continue aandacht. Zo blijft hij volhardend observeren, vrij en onthecht, zonder zich vast te klampen aan wat dan ook in de wereld.

Zo, Monniken, blijft een monnik de gewaarwordingen in de gewaarwordingen observeren.”

De observatie van de geest

“En hoe, Monniken, observeert een beoefenaar volhardend de geest in de geest?

Wanneer de geest van een beoefenaar begerig is, is hij zich bewust: ‘Mijn geest is begerig.’ Wanneer zijn geest niet begerig is, is hij zich bewust: ‘Mijn geest is niet begerig.’

Wanneer zijn geest afkerig, haatdragend of boos is, is hij zich bewust: ‘Mijn geest is afkerig, haatdragend, boos.’ Wanneer zijn geest niet afkerig, haatdragend of boos is, is hij zich bewust: ‘Mijn geest is niet afkerig, haatdragend, boos.’

Wanneer zijn geest zich in een staat van onwetendheid bevindt, is hij zich bewust: ‘Mijn geest bevindt zich in een staat van onwetendheid.’ Wanneer zijn geest zich niet in een staat van onwetendheid bevindt, is hij zich bewust: ‘Mijn geest bevindt zich niet in een staat van onwetendheid.’

Wanneer zijn geest kalm is, is hij zich bewust: ‘Mijn geest is kalm.’ Wanneer zijn geest niet kalm is, is hij zich bewust: ‘Mijn geest is niet kalm.’

Wanneer zijn geest afgeleid of verstrooid is, is hij zich bewust: ‘Mijn geest is afgeleid of verstrooid.’ Wanneer zijn geest niet afgeleid of verstrooid is, is hij zich bewust: ‘Mijn geest is niet afgeleid of verstrooid.’

Wanneer zijn geest ‘ruim’ is, is hij zich bewust: ‘Mijn geest is ruim.’ Wanneer zijn geest bekrompen is, is hij zich bewust: ‘Mijn geest is bekrompen.’

Wanneer zijn geest ‘verheven’, is hij zich bewust: ‘Mijn geest is verheven.’ Wanneer zijn geest niet verheven is, is hij zich bewust: ‘Mijn geest is niet verheven.’

Wanneer zijn geest geconcentreerd is, is hij zich bewust: ‘Mijn geest is geconcentreerd.’ Wanneer zijn geest niet geconcentreerd is, is hij zich bewust: ‘Mijn geest is niet geconcentreerd.’

Wanneer zijn geest bevrijd is, is hij zich bewust: ‘Mijn geest is bevrijd.’ Wanneer zijn geest niet bevrijd is, is hij zich bewust: ‘Mijn geest is niet bevrijd.’”

“Zo blijft de monnik volhardend de geest in de geest bij zichzelf observeren; blijft hij de geest in de geest bij de anderen observeren; blijft hij de geest zowel bij zichzelf als bij de anderen observeren.

Zo blijft de monnik volhardend het proces van ontstaan van de geest observeren; blijft hij het proces van vergaan van de geest observeren; of blijft hij zowel het proces van ontstaan als het proces van vergaan van de geest observeren.

Na deze aandachtige observatie is zijn opmerkzaamheid als volgt gevestigd: ‘Zó is de geest!’.

Aldus ontwikkelt zijn opmerkzaamheid zich tot helder begrip en continue aandacht. Zo blijft hij volhardend observeren, vrij en onthecht, zonder zich vast te klampen aan wat dan ook in de wereld.

Zo, Monniken, blijft een monnik de geest in de geest observeren.”

De observatie van de geestinhoud

Verhandeling over de Vijf Hindernissen.

“En hoe, Monniken, observeert een beoefenaar volhardend de geestinhoud in de geestinhoud?

Welnu, een beoefenaar observeert volhardend de geestinhoud in de geestinhoud, in relatie tot de Vijf Hindernissen.

En hoe doet hij dat?

Welnu, wanneer een zintuiglijk verlangen in hem aanwezig is, is hij zich bewust: ‘Een zintuiglijk verlangen is in mij aanwezig.’ Wanneer er geen zintuiglijk verlangen aanwezig is, is hij zich bewust: ‘Er is geen zintuiglijk verlangen in mij aanwezig.’

Hij is zich bewust hoe zintuiglijk verlangen, dat voordien nog niet in hem was opgekomen, ontstaat.

Hij is zich bewust hoe zintuiglijk verlangen, dat nu in hem opgekomen is, vernietigd wordt.

Hij is zich bewust hoe zintuiglijk verlangen, dat nu in hem vernietigd is, in de toekomst kan voorkomen worden.

Wanneer afkeer, haat en boosheid in hem aanwezig zijn, is hij zich bewust: ‘Er is afkeer, haat en boosheid in mij aanwezig.’ Wanneer er geen afkeer, haat en boosheid in hem aanwezig zijn, is hij zich bewust: ‘‘Er is geen afkeer, haat en boosheid in mij aanwezig.’

Hij is zich bewust hoe afkeer, haat en boosheid, die voordien nog niet in hem waren opgekomen, ontstaan.

Hij is zich bewust hoe afkeer, haat en boosheid, die nu in hem zijn opgekomen, vernietigd worden.

Hij is zich bewust hoe afkeer, haat en boosheid, die nu in hem vernietigd zijn, in de toekomst kunnen voorkomen worden.

Wanneer luiheid en loomheid in hem aanwezig zijn, is hij zich bewust: ‘Er is luiheid en loomheid in mij aanwezig.’ Wanneer er geen luiheid en loomheid in hem aanwezig zijn, is hij zich bewust: ‘Er is geen luiheid en loomheid in mij aanwezig.’

Hij is zich bewust hoe luiheid en loomheid, die voordien nog niet in hem waren opgekomen, ontstaan.

Hij is zich bewust hoe luiheid en loomheid, die nu in hem zijn opgekomen, vernietigd worden.

Hij is zich bewust hoe luiheid en loomheid, die nu in hem vernietigd zijn, in de toekomst kunnen voorkomen worden.

Wanneer rusteloosheid en gepieker in hem aanwezig zijn, is hij zich bewust: ‘Er is rusteloosheid en gepieker in mij aanwezig.’ Wanneer er geen rusteloosheid en gepieker in hem aanwezig zijn, is hij zich bewust: ‘Er is geen rusteloosheid en gepieker in mij aanwezig.’

Hij is zich bewust hoe rusteloosheid en gepieker, die voordien nog niet in hem waren opgekomen, ontstaan.

Hij is zich bewust hoe rusteloosheid en gepieker, die nu in hem zijn opgekomen, vernietigd worden.

Hij is zich bewust hoe rusteloosheid en gepieker, die nu in hem vernietigd zijn, in de toekomst kunnen voorkomen worden.

Wanneer er sceptische twijfel in hem aanwezig is, is hij zich bewust: ‘Er is sceptische twijfel in mij aanwezig.’ Wanneer er geen sceptische twijfel in hem aanwezig is, is hij zich bewust: ‘Er is geen sceptische twijfel in mij aanwezig.’

Hij is zich bewust hoe sceptische twijfel, die voordien nog niet in hem was opgekomen, ontstaat.

Hij is zich bewust hoe sceptische twijfel, die nu in hem is opgekomen, vernietigd wordt.

Hij is zich bewust hoe sceptische twijfel, die nu in hem vernietigd is, in de toekomst kan voorkomen worden.”

“Zo blijft de monnik volhardend de geestinhoud in de eigen geestinhoud observeren; blijft hij de geestinhoud in de geestinhoud van de anderen observeren; blijft hij de geestinhoud zowel bij zichzelf als bij de anderen observeren.

Zo blijft de monnik volhardend het proces van ontstaan van de geestinhoud observeren; blijft hij het proces van vergaan van de geestinhoud observeren; of blijft hij zowel het proces van ontstaan als het proces van vergaan van de geestinhoud observeren.

Na deze aandachtige observatie is zijn opmerkzaamheid als volgt gevestigd: ‘Zó is geestinhoud!’.

Aldus ontwikkelt zijn opmerkzaamheid zich tot helder begrip en continue aandacht. Zo blijft hij volhardend observeren, vrij en onthecht, zonder zich vast te klampen aan wat dan ook in de wereld.

Zo, Monniken, blijft een monnik de geestinhoud in de geestinhoud observeren, in relatie tot de Vijf Hindernissen.”

Verhandeling over de Vijf Aggregaten.

“En verder, Monniken, observeert een beoefenaar volhardend de geestinhoud in de geestinhoud, in relatie tot de Vijf Aggregaten.

En hoe doet een monnik dat?

Welnu, een monnik begrijpt goed: ‘Zo is materie (materiële vorm); zo ontstaat materie; zo vergaat materie.’

Hij begrijpt goed: ‘Zo zijn gewaarwordingen; zo ontstaan gewaarwordingen; zo verdwijnen gewaarwordingen.’

Hij begrijpt goed: ‘Zo is perceptie (cognitie); zo ontstaat perceptie; zo verdwijnt perceptie.’

Hij begrijpt goed: ‘Zo zijn reacties (wilsuitingen); zo ontstaan reacties; zo verdwijnen reacties.

Hij begrijpt goed: ‘Zo is bewustzijn; zo ontstaat bewustzijn; zo verdwijnt bewustzijn.’”

“Zo blijft de monnik volhardend de geestinhoud in de eigen geestinhoud observeren; blijft hij de geestinhoud in de geestinhoud van de anderen observeren; blijft hij de geestinhoud zowel bij zichzelf als bij de anderen observeren.

Zo blijft de monnik volhardend het proces van ontstaan van de geestinhoud observeren; blijft hij het proces van vergaan van de geestinhoud observeren; of blijft hij zowel het proces van ontstaan als het proces van vergaan van de geestinhoud observeren.

Na deze aandachtige observatie is zijn opmerkzaamheid als volgt gevestigd: ‘Zó is geestinhoud!’.

Aldus ontwikkelt zijn opmerkzaamheid zich tot helder begrip en continue aandacht. Zo blijft hij volhardend observeren, vrij en onhecht, zonder zich vast te klampen aan wat dan ook in de wereld.

Zo, Monniken, blijft een monnik de geestinhoud in de geestinhoud observeren, in relatie tot de Vijf Aggregaten.”

Verhandeling over de Zes Zintuigsferen.

“En verder, Monniken, observeert een beoefenaar volhardend de geestinhoud in de geestinhoud, in relatie tot de ‘Zes innerlijke en zes uiterlijke zintuigsferen’.

En hoe doet hij dat?

Welnu, een beoefenaar begrijpt wat het oog is; hij begrijpt wat vormen [visuele objecten] zijn en hij begrijpt de innerlijke binding die ontstaat uit de wisselwerking tussen het oog en vormen.

Hij begrijpt hoe een innerlijke binding, die nog niet in hem is opgekomen, ontstaat.

Hij begrijpt hoe een innerlijke binding, die in hem is opgekomen, vernietigd wordt.

Hij begrijpt hoe de innerlijke binding, die nu in hem vernietigd is, in de toekomst kan voorkomen worden.

Hij begrijpt wat het oor is; hij begrijpt wat geluid is (auditieve objecten) en hij begrijpt de innerlijke binding die ontstaat uit de wisselwerking tussen het oor en geluiden.

Hij begrijpt hoe een nieuwe binding, die nog niet in hem is opgekomen, ontstaat.

Hij begrijpt hoe de innerlijke binding, die in hem is opgekomen, vernietigd wordt.

Hij begrijpt hoe de innerlijke binding, die nu in hem vernietigd is, in de toekomst kan voorkomen worden.

Hij begrijpt wat de neus is; hij begrijpt wat geur is (reuk objecten) en hij begrijpt de innerlijke binding die ontstaat uit de wisselwerking tussen neus en geuren.

Hij begrijpt hoe een nieuwe binding, die nog niet in hem is opgekomen, ontstaat.

Hij begrijpt hoe de innerlijke binding, die in hem is opgekomen, vernietigd wordt.

Hij begrijpt hoe de innerlijke binding, die nu in hem vernietigd is, in de toekomst kan voorkomen worden.

Hij begrijpt wat de tong is; hij begrijpt wat smaak is (smaak objecten) en hij begrijpt de innerlijke binding die ontstaat uit de wisselwerking tussen de tong en smaken.

Hij begrijpt hoe een nieuwe binding, die nog niet in hem is opgekomen, ontstaat.

Hij begrijpt hoe de innerlijke binding, die in hem is opgekomen, vernietigd wordt.

Hij begrijpt hoe de innerlijke binding, die nu in hem vernietigd is, in de toekomst kan voorkomen worden.

Hij begrijpt wat het lichaam is; hij begrijpt wat aanrakingen zijn (tastbare objecten) en hij begrijpt de innerlijke binding die ontstaat uit de wisselwerking tussen het lichaam en aanrakingen.

Hij begrijpt hoe een nieuwe binding, die nog niet in hem is opgekomen, ontstaat.

Hij begrijpt, hoe de innerlijke binding, die in hem is opgekomen, vernietigd wordt.

Hij begrijpt hoe de innerlijke binding, die nu in hem vernietigd is, in de toekomst kan voorkomen worden.

Hij begrijpt wat de geest is; hij is zich bewust van gedachten (mentale objecten) en hij is zich bewust van de innerlijke binding die ontstaat uit de wisselwerking tussen de geest en gedachten.

Hij begrijpt hoe een nieuwe binding, die nog niet in hem is opgekomen, ontstaat.

Hij begrijpt hoe de innerlijke binding, die in hem is opgekomen, vernietigd wordt.

Hij begrijpt hoe de innerlijke binding, die nu in hem vernietigd is, in de toekomst kan voorkomen worden.”

“Zo blijft de monnik volhardend de geestinhoud in de eigen geestinhoud observeren; blijft hij de geestinhoud in de geestinhoud van de anderen observeren; blijft hij de geestinhoud zowel bij zichzelf als bij de anderen observeren.

Zo blijft de monnik volhardend het proces van ontstaan van de geestinhoud observeren; blijft hij het proces van vergaan van de geestinhoud observeren; of blijft hij zowel het proces van ontstaan als het proces van vergaan van de geestinhoud observeren.

Na deze aandachtige observatie is zijn opmerkzaamheid als volgt gevestigd: ‘Zó is geestinhoud!’.

Aldus ontwikkelt zijn opmerkzaamheid zich tot helder begrip en continue aandacht. Zo blijft hij volhardend observeren, vrij en onthecht, zonder zich vast te klampen aan wat dan ook in de wereld.

Zo, Monniken, blijft een monnik de geestinhoud in de geestinhoud observeren, in relatie tot de Zes Zintuigsferen.”

Verhandeling over de Zeven Ontwakingsfactoren.

“En verder, Monniken, observeert een beoefenaar volhardend de geestinhoud in de geestinhoud, in relatie tot de ‘Zeven Ontwakingsfactoren.’

En hoe doet een beoefenaar dat?

Welnu, monniken, wanneer in hem de 1ste ontwakingsfactor—aandacht—aanwezig is, dan is hij zich daarvan bewust: ‘Aandacht is in mij aanwezig’. Wanneer de ontwakingsfactor aandacht niet in hem aanwezig is, dan is hij zich daarvan bewust: ‘Er is geen aandacht in mij aanwezig.’

Hij is zich bewust hoe de ontwakingsfactor aandacht, als die nog niet ontstaan is, ontstaat.

Hij is zich bewust hoe de ontwakingsfactor aandacht, als hij ontstaan is, ontwikkeld en geperfectioneerd kan worden.

Wanneer in hem de 2de ontwakingsfactor—onderzoek van verschijnselen—aanwezig is, dan is hij zich daarvan bewust: ‘De ontwakingsfactor onderzoek van verschijnselen is in mij aanwezig.’ Wanneer de ontwakingsfactor onderzoek van verschijnselen niet in hem aanwezig is, dan is hij zich daarvan bewust:’ De ontwakingsfactor onderzoek van verschijnselen is niet in mij aanwezig.’

Hij is zich bewust hoe de ontwakingsfactor onderzoek van verschijnselen, als die nog niet ontstaan is, ontstaat.

Hij is zich bewust, hoe de ontwakingsfactor onderzoek van verschijnselen, als hij ontstaan is, ontwikkeld en geperfectioneerd kan worden.

Wanneer in hem de 3de ontwakingsfactor—energie (ijver, inspanning)—aanwezig is, dan is hij zich daarvan bewust: ‘De ontwakingsfactor energie is in mij aanwezig.’ Wanneer de ontwakingsfactor energie niet in hem aanwezig is, dan is hij zich daarvan bewust: ‘De ontwakingsfactor energie is niet in mij aanwezig.’

Hij is zich bewust hoe de ontwakingsfactor energie, als die nog niet ontstaan is, ontstaat.

Hij is zich bewust hoe de ontwakingsfactor energie, als hij ontstaan is, ontwikkeld en geperfectioneerd kan worden.

Wanneer in hem de 4de ontwakingsfactor—vreugde (verrukking, geestelijke vervoering)—aanwezig is, dan is hij zich daarvan bewust: ‘De ontwakingsfactor vreugde is in mij aanwezig.’ Wanneer de ontwakingsfactor vreugde niet in hem aanwezig is, dan is hij zich daarvan bewust: ‘De ontwakingsfactor vreugde is niet in mij aanwezig.’

Hij is zich bewust hoe de ontwakingsfactor vreugde, als die nog niet ontstaan is, ontstaat.

Hij is zich bewust hoe de ontwakingsfactor vreugde, als hij ontstaan is, ontwikkeld en geperfectioneerd kan worden.

Wanneer in hem de 5de ontwakingsfactor—kalmte (diepe innerlijke rust)—aanwezig is, dan is hij zich daarvan bewust: ‘De ontwakingsfactor kalmte is in mij aanwezig.’ Wanneer de ontwakingsfactor kalmte niet in hem aanwezig is, dan is hij zich daarvan bewust: ‘De ontwakingsfactor kalmte is niet in mij aanwezig.’

Hij is zich bewust hoe de ontwakingsfactor kalmte, als die nog niet ontstaan is, ontstaat.

Hij is zich bewust hoe de ontwakingsfactor kalmte, als hij ontstaan is, ontwikkeld en geperfectioneerd kan worden.

Wanneer in hem de 6de ontwakingsfactor—concentratie—aanwezig is, dan is hij zich daarvan bewust: ‘De ontwakingsfactor concentratie is in mij aanwezig.’ Wanneer de ontwakingsfactor concentratie niet in hem aanwezig is, dan is hij zich daarvan bewust: ‘De ontwakingsfactor concentratie is niet in mij aanwezig.’

Hij is zich bewust hoe de ontwakingsfactor concentratie, als die nog niet ontstaan is, ontstaat.

Hij is zich bewust, hoe de ontwakingsfactor concentratie, als hij ontstaan is, ontwikkeld en geperfectioneerd kan worden.

Wanneer in hem de 7de ontwakingsfactor—gelijkmoedigheid— aanwezig is, dan is hij zich daarvan bewust: ‘De ontwakingsfactor gelijkmoedigheid is in mij aanwezig.’ Wanneer de ontwakingsfactor gelijkmoedigheid niet in hem aanwezig is, dan is hij zich daarvan bewust: ‘De ontwakingsfactor gelijkmoedigheid is niet in mij aanwezig.’

Hij is zich bewust hoe de ontwakingsfactor gelijkmoedigheid, als die nog niet ontstaan is, ontstaat.

Hij is zich bewust hoe de ontwakingsfactor gelijkmoedigheid, als hij ontstaan is, ontwikkeld en geperfectioneerd kan worden.”

“Zo blijft de monnik volhardend de geestinhoud in de eigen geestinhoud observeren; blijft hij de geestinhoud in de geestinhoud van de anderen observeren; blijft hij de geestinhoud zowel bij zichzelf als bij de anderen observeren.

Zo blijft de monnik volhardend het proces van ontstaan van de geestinhoud observeren; blijft hij het proces van vergaan van de geestinhoud observeren; of blijft hij zowel het proces van ontstaan als het proces van vergaan van de geestinhoud observeren.

Na deze aandachtige observatie is zijn opmerkzaamheid als volgt gevestigd: ‘Zó is geestinhoud!’.

Aldus ontwikkelt zijn opmerkzaamheid zich tot helder begrip en continue aandacht. Zo blijft hij volhardend observeren, vrij en onthecht, zonder zich vast te klampen aan wat dan ook in de wereld.

Zo, Monniken, blijft een monnik de geestinhoud in de geestinhoud observeren, in relatie tot de Zeven Ontwakingsfactoren.”

Verhandeling over de Vier Edele Waarheden.

“En verder, Monniken, observeert een beoefenaar de geestinhoud in de geestinhoud in relatie tot de ‘Vier Edele Waarheden’.

En hoe doet hij dat?

Welnu, een beoefenaar is zich bewust: ‘Dit is dukkha.’ Hij begrijpt het zoals het werkelijk is. Hij is zich bewust: ‘Dit is de oorsprong van dukkha.’ Hij begrijpt het zoals het werkelijk is.

Hij is zich bewust: ‘Dit is de beëindiging van dukkha.’ Hij begrijpt het zoals het werkelijk is.

Hij is zich bewust: ‘Dit is het pad dat leidt naar de beëindiging van dukkha.’ Hij begrijpt het zoals het werkelijk is.

Uiteenzetting over de waarheid van dukkha

“En wat, Monniken, is de Edele Waarheid van Dukkha?

Geboorte is dukkha, ouderdom is dukkha, [ziekte is dukkha], sterven is dukkha, zorgen, verdriet, pijn, droefheid en leed zijn dukkha, niet krijgen wat men begeert is dukkha; in contact komen met iets waarvan men niet houdt is dukkha, gescheiden worden van iets waarvan men houdt is dukkha, samengevat: zich vastklampen aan de vijf aggregaten is dukkha.

En wat is geboorte?

Het feit dat alle soorten wezens, welke dan ook, in wat voor soort bestaan dan ook, geboren worden, tot conceptie komen, ontstaan, afdalen in een moederschoot, tot bestaan komen, dat hun aggregaten verschijnen, dat ze hun zintuiglijke vermogens verwerven—dat, Monniken, wordt geboorte genoemd.

En wat is ouderdom?

Het feit dat alle soorten wezens, welke dan ook, in wat voor soort bestaan dan ook, ouder worden, aftakelen, hun tanden verliezen, grijs worden en rimpels krijgen, hun vitaliteit verliezen, dat hun zintuiglijke vermogens afnemen—dat, Monniken, wordt ouderdom genoemd.

En wat is sterven?

Het feit dat alle soorten wezens, welke dan ook, in wat voor soort bestaan dan ook, ophouden te bestaan, wegvallen, heengaan, ten onder gaan, verdwijnen, sterven, doodgaan, overlijden, de voltooiing van hun levensduur, dat hun aggregaten uiteenvallen, dat ze hun lichaam afwerpen—dat, Monniken, wordt sterven genoemd.

En wat zijn zorgen?

Telkens als iemand getroffen wordt door verschillende soorten verlies en tegenspoed, die gevolgd worden door de ene of andere pijnlijke toestand van de geest, door zorgen, door rouw, door treurigheid, door innerlijke droefheid en door diepe innerlijke smart— dat, Monniken, wordt zorgen genoemd.

En wat is verdriet?

Telkens iemand getroffen wordt door verschillende soorten verlies en beproeving, die gevolgd worden door de ene of andere pijnlijke toestand van de geest, door weeklagen en huilen, door verdriet, door diepe weeklachten, door diep verdriet, door de toestand van diep weeklagen en diep verdriet—dat, Monniken, wordt verdriet genoemd.

En wat is pijn?

Lichamelijk leed, lichamelijk ongemak, een leedvolle, onaangename gewaarwording die ontstaat uit contact van het lichaam met iets— dat, Monniken, wordt pijn genoemd.

En wat is droefheid?

Geestelijk leed, geestelijk ongemak, geestelijke pijn, een leedvolle onaangename gewaarwording die ontstaat uit contact van de geest met iets—dat, Monniken, wordt droefheid genoemd.

En wat is leed?

Telkens als iemand getroffen wordt door verschillende soorten verlies en tegenspoed, die gevolgd worden door de ene of andere pijnlijke toestand van de geest, door tegenspoed, door leed, getroffen door leed en getroffen door groot leed—dat, Monniken, wordt leed genoemd.

En wat betekent ‘dukkha ten gevolge van het in contact komen met iets waarvan men niet houdt’?

Overal waar en telkens wanneer men onaangename zintuiglijke objecten zoals vormen, geluiden, geuren, smaken, aanrakingen of gedachten tegenkomt wordt dit dukkha genoemd, omdat men verbonden wordt met iets wat men niet aangenaam vindt.

Overal waar en telkens wanneer men mensen ontmoet, met hen in contact komt of met hen verenigd wordt, die u onheil, kwaad, problemen of angst toewensen, wordt dit dukkha genoemd, omdat men verbonden wordt met iets wat men niet aangenaam vindt.

En wat betekent ‘dukkha ten gevolge van het gescheiden worden van iets wat men aangenaam vindt’?

Overal waar en telkens wanneer men aangename zintuiglijke objecten zoals vormen, geluiden, geuren, smaken, aanrakingen of gedachten tegenkomt, en men van deze objecten afstand moet nemen wordt dit dukkha genoemd, omdat men gescheiden wordt van iets wat men aangenaam vindt.

Overal waar en telkens wanneer men mensen ontmoet, met hen in contact komt of met hen verenigd wordt, die u geluk, voorspoed, hulp of vrede toewensen, en men van deze mensen gescheiden raakt, wordt dit dukkha genoemd, omdat men gescheiden wordt van iets wat men aangenaam vindt.

En wat betekent ‘dukkha ten gevolge van het gescheiden worden van iets waarvan men houdt?’

Monniken, bij wezens die onderworpen zijn aan geboorte ontstaat de wens: ‘Waren we maar niet geboren! Was er maar geen geboorte voor ons!’ Maar zoiets kan niet louter door het te wensen verkregen worden. En niet krijgen wat men wil, is dukkha.

Monniken, in wezens die onderworpen zijn aan ouderdom komt de wens op: ‘Hoefden we maar niet oud te worden! Waren we maar niet onderworpen worden aan ouderdom!’ Maar zoiets kan niet louter door het te wensen verkregen worden. En niet krijgen wat men wil is dukkha.

Monniken, in wezens die onderworpen zijn aan ziekte komt de wens op: ‘Waren we maar niet onderworpen aan ziekte! Mochten we niet ziek worden!’ Maar dit kan niet louter door het te wensen verkregen worden. En niet krijgen wat men wil, is dukkha.

Monniken, in wezens die onderworpen zijn aan de dood komt de wens op: ‘Hoefden we maar niet te sterven! Stierven we maar nooit!’ Maar dit kan niet louter door het te wensen verkregen worden. En niet krijgen wat men wil is dukkha.

Monniken, in wezens die onderworpen zijn aan zorgen, verdriet, pijn, droefheid en leed komt de wens op: ‘Waren we maar niet onderworpen aan zorgen, verdriet, pijn, droefheid en leed!’ Maar dit kan niet louter door het te wensen verkregen worden. En niet krijgen wat men wil is dukkha.

En wat betekent ‘dukkha is het vastklampen aan de vijf aggregaten?’

Vastklampen aan het aggregaat van materie is dukkha. Vastklampen aan het aggregaat van gewaarwording is dukkha. Vastklampen aan het aggregaat van perceptie is dukkha. Vastklampen aan het aggregaat van reactie is dukkha. Vastklampen aan het aggregaat van bewustzijn is dukkha.

Dit, Monniken, is de Edele Waarheid van Dukkha.”

Uiteenzetting over de waarheid v/d oorsprong van dukkha

“En wat, Monniken, is de Edele Waarheid van de Oorsprong van Dukkha?

Het is het verlangen dat steeds opnieuw tot ‘worden’ leidt; de begeerte die stevig geliëerd is aan wellust en hartstocht, en eens in dit, dan weer in dat genoegen vindt, namelijk het verlangen naar zintuiglijke genot, het verlangen om steeds opnieuw te ‘worden’ en het verlangen naar vernietiging.

En waar, Monniken, ontstaat deze begeerte? Waarop raakt dit verlangen gevestigd?

Waar in de wereld ook maar iets aantrekkelijks te vinden is, waar ook maar iets aangenaams bestaat, daar ontstaat deze begeerte. Daarop raakt dit verlangen gevestigd.

Maar wat in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam?

Het oog in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam, daar ontstaat dit verlangen en daarop raakt het gevestigd.

Het oor in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam, daar ontstaat dit verlangen en daarop raakt het gevestigd.

De neus in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam, daar ontstaat dit verlangen en daarop raakt het gevestigd.

De tong in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam, daar ontstaat dit verlangen en daarop raakt het gevestigd.

Het lichaam in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam, daar ontstaat dit verlangen en daarop raakt het gevestigd.

De geest in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam, daar ontstaat dit verlangen en daarop raakt het gevestigd.

Visuele objecten, materiële vormen in de wereld zijn aantrekkelijk en aangenaam; daar ontstaat dit verlangen en daarop raakt het gevestigd

Auditieve objecten, geluiden in de wereld zijn aantrekkelijk en aangenaam; daar ontstaat dit verlangen en daarop raakt het gevestigd.

Geuren in de wereld zijn aantrekkelijk en aangenaam; daar ontstaat dit verlangen en daarop raakt het gevestigd.

Smaken in de wereld zijn aantrekkelijk en aangenaam; daar ontstaat dit verlangen en daarop raakt het gevestigd.

Aanrakingen in de wereld zijn aantrekkelijk en aangenaam; daar ontstaat dit verlangen en daarop raakt het gevestigd.

Geestinhoud in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam; daar ontstaat dit verlangen en daarop raakt het gevestigd.

Het visueel bewustzijn (oogbewustzijn) in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam; daar ontstaat dit verlangen en daarop raakt het gevestigd.

Het auditief bewustzijn (oorbewustzijn) in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam; daar ontstaat dit verlangen en daarop raakt het gevestigd.

Het reuk-bewustzijn (neusbewustzijn) in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam; daar ontstaat dit verlangen en daarop raakt het gevestigd.

Het smaak-bewustzijn (tongbewustzijn) in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam; daar ontstaat dit verlangen en daarop raakt het gevestigd.

Het tast-bewustzijn (lichaamsbewustzijn) in de wereld is aanlokkelijk en aangenaam; daar ontstaat dit verlangen en daarop raakt het gevestigd.

Het mentale bewustzijn (geestbewustzijn) in de wereld is aanlokkelijk en aangenaam; daar ontstaat dit verlangen en daarop raakt het gevestigd.

Het oogcontact in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam; daar ontstaat dit verlangen en daarop raakt het gevestigd.

Het oorcontact in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam; daar ontstaat dit verlangen en daarop raakt het gevestigd.

Het neuscontact in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam; daar ontstaat dit verlangen en daarop raakt het gevestigd.

Het tongcontact in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam; daar ontstaat dit verlangen en daarop raakt het gevestigd.

Het lichaamscontact in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam; daar ontstaat dit verlangen en daarop raakt het gevestigd.

Het geestcontact in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam; daar ontstaat dit verlangen en daarop raakt het gevestigd.

De gewaarwording die ontstaat als gevolg van oogcontact in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam; daar ontstaat dit verlangen en daarop raakt het gevestigd.

De gewaarwording die ontstaat als gevolg van oorcontact in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam; daar ontstaat dit verlangen en daarop raakt het gevestigd.

De gewaarwording die ontstaat als gevolg van neuscontact in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam; daar ontstaat dit verlangen en daarop raakt het gevestigd.

De gewaarwording die ontstaat als gevolg van tongcontact in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam; daar ontstaat dit verlangen en daarop raakt het gevestigd.

De gewaarwording die ontstaat als gevolg van lichamelijk contact in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam; daar ontstaat dit verlangen en daarop raakt het gevestigd.

De gewaarwording die ontstaat als gevolg van geestcontact in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam; daar ontstaat dit verlangen en daarop raakt het gevestigd.

De perceptie van visuele objecten (materiële vormen) in de wereld is aanlokkelijk en aangenaam; daar ontstaat dit verlangen en daarop raakt het gevestigd.

De perceptie van geluiden in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam; daar ontstaat dit verlangen en daarop raakt het gevestigd.

De perceptie van geuren in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam; daar ontstaat dit verlangen en daarop raakt het gevestigd.

De perceptie van smaken in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam; daar ontstaat dit verlangen en daarop raakt het gevestigd.

De perceptie van aanraking in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam; daar ontstaat dit verlangen en daarop raakt het gevestigd.

De perceptie van de geestinhoud in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam; daar ontstaat dit verlangen en daarop raakt het gevestigd.

De mentale reactie op visuele objecten in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam; daar ontstaat dit verlangen en daarop raakt het gevestigd.

De mentale reactie op geluiden in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam; daar ontstaat dit verlangen en daarop raakt het gevestigd.

De mentale reactie op geuren in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam; daar ontstaat dit verlangen en daarop raakt het gevestigd.

De mentale reactie op smaken in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam; daar ontstaat dit verlangen en daarop raakt het gevestigd.

De mentale reactie op aanraking in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam; daar ontstaat dit verlangen en daarop raakt het gevestigd.

De mentale reactie op geestinhoud is aantrekkelijk en aangenaam; daar ontstaat dit verlangen en daarop raakt het gevestigd.

Het verlangen naar visuele objecten (materiële vormen) in de wereld is aanlokkelijk en aangenaam; daar ontstaat dit verlangen en daarop raakt het gevestigd.

Het verlangen naar geluiden in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam; daar ontstaat dit verlangen en daarop raakt het gevestigd.

Het verlangen naar geuren in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam; daar ontstaat dit verlangen en daarop raakt het gevestigd.

Het verlangen naar smaken in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam; daar ontstaat dit verlangen en daarop raakt het gevestigd.

Het verlangen naar aanraking in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam; daar ontstaat dit verlangen en daarop raakt het gevestigd.

Het verlangen naar geestinhoud in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam; daar ontstaat dit verlangen en daarop raakt het gevestigd.

Het ontstaan van de gedachte aan visuele objecten (materiële vormen) in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam; daar ontstaat dit verlangen en daarop raakt het gevestigd.

Het ontstaan van de gedachte aan geluiden in de wereld is aanlokkelijk en aangenaam; daar ontstaat dit verlangen en daarop raakt het gevestigd.

Het ontstaan van de gedachte aan geuren in de wereld is aanlokkelijk en aangenaam; daar ontstaat dit verlangen en daarop raakt het gevestigd.

Het ontstaan van de gedachte aan smaken in de wereld is aanlokkelijk en aangenaam; daar ontstaat dit verlangen en daarop raakt het gevestigd.

Het ontstaan van de gedachte aan aanraking in de wereld is aanlokkelijk en aangenaam; daar ontstaat dit verlangen en daarop raakt het gevestigd.

Het ontstaan van de gedachte aan geestinhoud in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam; daar ontstaat dit verlangen en daarop raakt het gevestigd.

Het repetitief denken aan visuele objecten (materiële vormen) in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam; daar ontstaat dit verlangen en daarop raakt het gevestigd.

Het repetitief denken aan geluiden in de wereld is aanlokkelijk en aangenaam; daar ontstaat dit verlangen en daarop raakt het gevestigd.

Het repetitief denken aan geuren in de wereld is aanlokkelijk en aangenaam; daar ontstaat dit verlangen en daarop raakt het gevestigd.

Het repetitief denken aan smaken in de wereld is aanlokkelijk en aangenaam; daar ontstaat dit verlangen en daarop raakt het gevestigd.

Het repetitief denken aan aanraking in de wereld is aanlokkelijk en aangenaam; daar ontstaat dit verlangen en daarop raakt het gevestigd.

Het repetitief denken aan geestinhoud in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam; daar ontstaat dit verlangen en daarop raakt het gevestigd.

Dit, Monniken, wordt de Edele Waarheid van de Oorsprong van Dukkha genoemd.”

Uiteenzetting over de waarheid v/d beëindiging van dukkha

“En wat dan, Monniken, is de Edele Waarheid van de Beëindiging van Dukkha?

Het is het volledige verdwijnen en ophouden van dit verlangen, het verlaten, het opgeven, het afwerpen ervan. Het is de bevrijding uit en het loslaten van deze begeerte.

Maar waar, Monniken, kan dit verlangen uitgeroeid worden? Waar kan deze begeerte vernietigd worden?

Overal in de wereld waar iets aantrekkelijks en aangenaams bestaat kan dit verlangen uitgeroeid en vernietigd worden.

En wat is aantrekkelijk van aard en aangenaam van aard in de wereld?

Het oog in de wereld (van geest en materie) is aantrekkelijk en aangenaam, daar kan dit verlangen uitgeroeid en vernietigd worden.

Het oor in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam, daar kan dit verlangen uitgeroeid en vernietigd worden.

De neus in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam, daar kan dit verlangen uitgeroeid en vernietigd worden.

De tong in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam, daar kan dit verlangen uitgeroeid en vernietigd worden.

Het lichaam in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam, daar kan dit verlangen uitgeroeid en vernietigd worden.

De geest in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam, daar kan dit verlangen uitgeroeid en vernietigd worden.

De visuele objecten (materiële vormen) in de wereld zijn aantrekkelijk en aangenaam; daar kan dit verlangen uitgeroeid en vernietigd worden.

De geluiden in de wereld zijn aantrekkelijk en aangenaam; daar kan dit verlangen uitgeroeid en vernietigd worden.

De geuren in de wereld zijn aantrekkelijk en aangenaam; daar kan dit verlangen uitgeroeid en vernietigd worden.

De smaken in de wereld zijn aantrekkelijk en aangenaam; daar kan dit verlangen uitgeroeid en vernietigd worden.

De aanrakingen in de wereld zijn aantrekkelijk en aangenaam; daar kan dit verlangen uitgeroeid en vernietigd worden.

De geestinhouden in de wereld zijn aantrekkelijk en aangenaam; daar kan dit verlangen uitgeroeid en vernietigd worden.

Het oogbewustzijn in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam; daar kan dit verlangen uitgeroeid en vernietigd worden.

Het oorbewustzijn in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam; daar kan dit verlangen uitgeroeid en vernietigd worden.

Het neusbewustzijn in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam; daar kan dit verlangen uitgeroeid en vernietigd worden.

Het tongbewustzijn in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam; daar kan dit verlangen uitgeroeid en vernietigd worden.

Het lichaamsbewustzijn in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam; daar kan dit verlangen uitgeroeid en vernietigd worden.

Het geestbewustzijn in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam; daar kan dit verlangen uitgeroeid en vernietigd worden.

Het oogcontact in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam; daar kan dit verlangen uitgeroeid en vernietigd worden.

Het oorcontact in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam; daar kan dit verlangen uitgeroeid en vernietigd worden.

Het neuscontact in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam; daar kan dit verlangen uitgeroeid en vernietigd worden.

Het tongcontact in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam; daar kan dit verlangen uitgeroeid en vernietigd worden.

Het lichaamscontact in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam; daar kan dit verlangen uitgeroeid en vernietigd worden.

Het mentale contact in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam; daar kan dit verlangen uitgeroeid en vernietigd worden.

De gewaarwording die ontstaat uit contact met het oog in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam; daar kan dit verlangen uitgeroeid en vernietigd worden.

De gewaarwording die ontstaat uit contact met het oor in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam; daar kan dit verlangen uitgeroeid en vernietigd worden.

De gewaarwording die ontstaat uit contact met de neus in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam; daar kan dit verlangen uitgeroeid en vernietigd worden.

De gewaarwording die ontstaat uit contact met de tong in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam; daar kan dit verlangen uitgeroeid en vernietigd worden.

De gewaarwording die ontstaat uit contact met het lichaam in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam; daar kan dit verlangen uitgeroeid en vernietigd worden.

De gewaarwording die ontstaat uit contact met de geest in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam; daar kan dit verlangen uitgeroeid en vernietigd worden.

De perceptie van visuele objecten (materiële vormen) in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam; daar kan dit verlangen uitgeroeid en vernietigd worden.

De perceptie van geluiden in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam; daar kan dit verlangen uitgeroeid en vernietigd worden.

De perceptie van geuren in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam; daar kan dit verlangen uitgeroeid en vernietigd worden.

De perceptie van smaken in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam; daar kan dit verlangen uitgeroeid en vernietigd worden.

De perceptie van aanraking in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam; daar kan dit verlangen uitgeroeid en vernietigd worden.

De perceptie van geestinhoud in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam; daar kan dit verlangen uitgeroeid en vernietigd worden.

Het verlangen naar visuele objecten (materiële vormen) in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam; daar kan dit verlangen uitgeroeid en vernietigd worden.

Het verlangen naar geluiden in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam; daar kan dit verlangen uitgeroeid en vernietigd worden.

Het verlangen naar geuren in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam; daar kan dit verlangen uitgeroeid en vernietigd worden.

Het verlangen naar smaken in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam; daar kan dit verlangen uitgeroeid en vernietigd worden.

Het verlangen naar aanraking in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam; daar kan dit verlangen uitgeroeid en vernietigd worden.

Het verlangen naar geestinhoud in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam; daar kan dit verlangen uitgeroeid en vernietigd worden.

Het ontstaan van de gedachte aan visuele objecten (materiële vormen) in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam; daar kan dit verlangen uitgeroeid en vernietigd worden.

Het ontstaan van de gedachte aan geluiden in de wereld is aanlokkelijk en aangenaam; daar kan dit verlangen uitgeroeid en vernietigd worden.

Het ontstaan van de gedachte aan geuren in de wereld is aanlokkelijk en aangenaam; daar kan dit verlangen uitgeroeid en vernietigd worden.

Het ontstaan van de gedachte aan smaken in de wereld is aanlokkelijk en aangenaam; daar kan dit verlangen uitgeroeid en vernietigd worden.

Het ontstaan van de gedachte aan aanrakingen in de wereld is aanlokkelijk en aangenaam; daar kan dit verlangen uitgeroeid en vernietigd worden.

Het ontstaan van de gedachte aan de geestinhoud in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam; daar kan dit verlangen uitgeroeid en vernietigd worden.

Het repetitief denken aan visuele objecten (materiële vormen) in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam; daar kan dit verlangen uitgeroeid en vernietigd worden.

Het repetitief denken aan geluiden in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam; daar kan dit verlangen uitgeroeid en vernietigd worden.

Het repetitief denken aan geuren in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam; daar kan dit verlangen uitgeroeid en vernietigd worden.

Het repetitief denken aan smaken in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam; daar kan dit verlangen uitgeroeid en vernietigd worden.

Het repetitief denken aan aanrakingen in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam; daar kan dit verlangen uitgeroeid en vernietigd worden.

Het repetitief denken aan de geestinhoud in de wereld is aantrekkelijk en aangenaam; daar kan dit verlangen uitgeroeid en vernietigd worden.

Dit, Monniken is de Edele Waarheid van de Beëindiging van Dukkha.”

Uiteenzetting over de waarheid van het pad dat leidt tot de beëindiging van dukkha

“En wat, monniken, is de Edele Waarheid van het Pad dat leidt tot de beëindiging van dukkha?

Het is het Edele Achtvoudige Pad, namelijk: het perfecte inzicht, de perfecte intentie, het perfecte spreken, het perfecte handelen, de perfecte wijze van levensonderhoud, de perfecte inspanning, de perfecte aandacht en de perfecte concentratie.

En wat is het perfecte inzicht?

Het perfecte weten omtrent dukkha, het perfecte weten omtrent de oorsprong van dukkha, het perfecte weten omtrent het ophouden van dukkha en het perfecte weten omtrent de weg die leidt tot het ophouden van dukkha—dát wordt het perfecte inzicht genoemd, Monniken.

En wat is de perfecte intentie?

Het is de intentie tot verzaking (van verlangen); de intentie tot het verzaken van afkeer/haat/boosheid; de intentie tot het verzaken van geweld—dát wordt het juiste besluit genoemd, Monniken.

En wat is het perfecte spreken?

Het zich onthouden van leugens, het zich onthouden van achterklap, het zich onthouden van grove taal, het zich onthouden van kletspraat—dát wordt het perfecte spreken genoemd, Monniken.

En wat is het perfecte handelen?

Het zich onthouden van het doden van levende wezens, het zich onthouden van nemen wat niet gegeven is, het zich onthouden van seksueel wangedrag—dát wordt het perfecte handelen genoemd, Monniken.

En wat is de perfecte wijze van levensonderhoud?

Wat dit betreft geeft een leerling van de edelen een verkeerde wijze van levensonderhoud op en voorziet in zijn levensonderhoud op een juiste manier—dát wordt de perfecte wijze van levensonderhoud genoemd, Monniken.

En wat is de perfecte inspanning?

Wat dit betreft neemt een beoefenaar zich voor om nog niet opgekomen negatieve, onheilzame mentale toestanden niet te laten ontstaan. Hij spant zich daartoe in. Doet dit met ijver. Maakt dit zijn betrachting. Streeft ernaar.

Hij neemt zich voor om reeds opgekomen negatieve, onheilzame mentale toestanden op te geven. Hij spant zich daartoe in. Doet dit met ijver. Maakt dit zijn betrachting. Streeft ernaar.

Hij neemt zich voor om nog niet opgekomen positieve, heilzame mentale toestanden te laten opkomen. Hij spant zich daartoe in. Doet dit met ijver. Maakt dit zijn betrachting. Streeft ernaar.

En hij neemt zich voor om reeds opgekomen positieve, heilzame mentale toestanden te laten bestaan, ze niet onzuiver te laten worden, ze te multipliceren, ze uit te breiden, ze te ontplooien, en ze te perfectioneren. Hij spant zich daartoe in. Doet dit met ijver. Maakt dit zijn betrachting. Streeft ernaar. Dát wordt de perfecte inspanning genoemd, Monniken.

En wat is de perfecte aandacht?

Wat dit betreft observeert een beoefenaar het lichaam in het lichaam, geestdriftig, helder bewust en met diep inzicht in de vergankelijkheid, penetrerend aandachtig, waarbij hij afkerig is van verlangen en afkeer voor de wereld (van geest en materie).

Hij observeert de gewaarwordingen in de gewaarwordingen, geestdriftig, helder bewust en met diep inzicht in de vergankelijkheid, penetrerend aandachtig, waarbij hij afkerig is van verlangen en afkeer voor de wereld (van geest en materie).

Hij observeert de geest in de geest, geestdriftig, helder bewust en met diep inzicht in de vergankelijkheid, penetrerend aandachtig, waarbij hij afkerig is van verlangen en afkeer voor de wereld (van geest en materie).

Hij observeert de geestinhoud in de geestinhoud, geestdriftig, helder bewust en met diep inzicht in de vergankelijkheid, penetrerend aandachtig, waarbij hij afkerig is van verlangen en afkeer voor de wereld (van geest en materie).

En wat is de perfecte concentratie?

Wat dit betreft gaat een beoefenaar, onthecht van zintuiglijk verlangen, onthecht van onheilzame mentale toestanden, het eerste meditatie-stadium (de eerste absorptie; de eerste jhana) binnen, die voortkomt uit onthechten en vergezeld gaat van de initiële en langdurige aandacht van de geest en vervuld is van vreugde en geluk en hij verblijft daarin.

Met het afnemen van de initiële en langdurige aandacht van de geest en het toenemen van diepe innerlijke rust en eenheid van geest, gaat hij het tweede meditatiestadium (de tweede absorptie; de tweede jhana) binnen, die voortkomt uit concentratie, vrij is van de initiële en langdurige aandacht van de geest en die vervuld is van vreugde en geluk en hij verblijft daarin.

Door het ophouden van vreugde verwijlt hij in gelijkmoedigheid en met aandacht, helder bewust en hij ervaart in zijn lichaam het geluk, hetgeen de edelen beschrijven als: ‘Dit geluk wordt ervaren door iemand die gelijkmoedig en aandachtig is.’ Zo gaat hij het derde meditatiestadium (de derde absorptie; de derde jhana) binnen en hij verblijft daarin.

Na het ophouden van genoegen en na het ophouden van pijn en doordat vroeger al vreugde en smart verdwenen waren, bereikt hij een stadium voorbij genoegen en pijn, namelijk het vierde meditatiestadium (de vierde absorptie; de vierde jhana), dat gekenmerkt wordt door gelijkmoedigheid en aandacht en hij verblijft daarin—dít, Monniken wordt perfecte concentratie genoemd.

Dit, Monniken, wordt genoemd de Edele Waarheid van de Weg die leidt tot het ophouden van Dukkha.”

“Zo blijft de monnik volhardend de geestinhoud in de eigen geestinhoud observeren; blijft hij de geestinhoud in de geestinhoud van de anderen observeren; blijft hij de geestinhoud zowel bij zichzelf als bij de anderen observeren.

Zo blijft de monnik volhardend het proces van ontstaan van de geestinhoud observeren; blijft hij het proces van vergaan van de geestinhoud observeren; of blijft hij zowel het proces van ontstaan als het proces van vergaan van de geestinhoud observeren.

Na deze aandachtige observatie is zijn opmerkzaamheid als volgt gevestigd: ‘Zó is geestinhoud!’.

Aldus ontwikkelt zijn opmerkzaamheid zich tot helder begrip en continue aandacht. Zo blijft hij volhardend observeren, vrij en onthecht, zonder zich vast te klampen aan wat dan ook in de wereld.

Zo, Monniken, blijft een monnik de geestinhoud in de geestinhoud observeren, in relatie tot de Vier Edele Waarheden.”

Resultaat van het vestigen van aandacht

“Monniken, iedere beoefenaar die dit viervoudig cultiveren van de aandacht op deze manier ontwikkelt gedurende zeven jaar, kan één van deze twee vruchten verwachten: de hoogste wijsheid nog in dit leven of, indien er nog een rest van levensbrandstof is, de staat van een niet-meer-terugkeerder.

Vergeet deze zeven jaar, Monniken! Iedere beoefenaar die dit viervoudig cultiveren van de aandacht op deze manier ontwikkelt gedurende zes, vijf, vier, drie, twee of één jaar, kan één van deze twee vruchten verwachten: de hoogste wijsheid nog in dit leven of, indien er nog een rest van levensbrandstof is, de staat van een niet-meer-terugkeerder.

Vergeet dat ene jaar, Monniken! Iedere beoefenaar die dit viervoudige cultiveren van de aandacht op deze manier ontwikkelt ge- durende zeven, zes, vijf, vier, drie, twee maanden, één maand of een halve maand, kan één van deze twee vruchten verwachten: de hoogste wijsheid nog in dit leven of, wanneer er nog een rest van levensbrandstof is, de staat van een niet-meer-terugkeerder.

Vergeet die halve maand, Monniken! Iedere beoefenaar die dit viervoudige cultiveren van de aandacht op deze manier ontwikkelt gedurende zeven dagen, kan één van deze twee vruchten verwachten: de hoogste wijsheid nog in dit leven of, wanneer er nog een rest van levensbrandstof is, de staat van een niet-meer-terugkeerder.”

Het is om deze reden dat ik gezegd heb:

“Monniken, dit is een (enige/directe/ongeëvenaarde) weg die leidt tot zuivering van de wezens; tot het overstijgen van verdriet en zorgen; tot het beëindigen van dukkha en angst; tot het onder de knie krijgen van de juiste methode voor het realiseren van nibbana, namelijk door het viervoudig vestigen van opmerkzaamheid.”

Aldus sprak de Bhagavat. De monniken waren verrukt en verheugden zich over wat Hij gezegd had.”

Einde van de Mahasatipatthana-Sutta.

Commentaren [2]