Laden

Vertalingen [19]

Eerbetuigingen

Zo is het gezegd door de Bhagavat, door de Arahant. Zo heb ik het gehoord:

“Monniken, ik heb wezens gezien die—bedolven onder eerbetuigingen en de geest geobsedeerd voor het verkrijgen van eerbetoon—bij het uiteenvallen van het lichaam, na de dood wedergeboren werden in een staat van ellende; in een slecht bestaansrijk; in een staat van verval; in het Hellenrijk.

Monniken, ik heb wezens gezien die—bedolven onder minachting en de geest geobsedeerd door het niet verkrijgen van eerbetoon—bij het uiteenvallen van het lichaam, na de dood wedergeboren werden in een staat van ellende; in een slecht bestaansrijk; in een staat van verval; in het Hellenrijk.

Monniken, ik heb wezens gezien die—enerzijds bedolven onder eerbetuigingen en anderzijds [later] door het niet verkrijgen van eerbetoon—bij het uiteenvallen van het lichaam, na de dood wedergeboren werden in een staat van ellende; in een slecht bestaansrijk; in een staat van verval; in het Hellenrijk.

Ik vertel jullie dit, Monniken, zonder dat ik dit gehoord of geleerd heb van een andere samana of brahmaan.

Het is énkel doordat ik dit uit mezelf weet; dit gezien heb en geobserveerd heb, dat ik tegen jullie het volgende kan zeggen:

‘Monniken, ik heb met mijn goddelijk oog, wezens gezien die—bedolven onder eerbetuigingen en de geest geobsedeerd voor het verkrijgen van eerbetoon—bij het uiteenvallen van het lichaam, na de dood wedergeboren werden in een staat van ellende; in een slecht bestaansrijk; in een staat van verval; in het Hellenrijk.

Monniken, ik heb met mijn goddelijk oog, wezens gezien die—bedolven onder minachting en de geest geobsedeerd door het niet verkrijgen van eerbetoon—bij het uiteenvallen van het lichaam, na de dood wedergeboren werden in een staat van ellende; in een slecht bestaansrijk; in een staat van verval; in het Hellenrijk.

Monniken, ik heb met mijn goddelijk oog, wezens gezien die—enerzijds bedolven onder eerbetuigingen en anderzijds [later] door het niet verkrijgen van eerbetoon—bij het uiteenvallen van het lichaam, na de dood wedergeboren werden in een staat van ellende; in een slecht bestaansrijk; in een staat van verval; in het Hellenrijk.””

Dit is de betekenis van wat de Bhagavat gezegd heeft. In verband hiermee zei Hij het volgende:

“De monnik die ijverig leeft,
Met onverstoorde concentratie,
Zowel wanneer men hem eer bewijst
Als wanneer hij geen eerbetoon ontvangt—

—Voortdurend mediterend,
Begiftigd met een subtiele visie
En helder inzicht
Zich verheugend in de vernietiging van hechting—
Zulke monnik noemt men
‘Een edel persoon’.”

Ook dit is de betekenis van wat de Verhevene gezegd heeft.

Zo heb ik het gehoord.

Commentaren [1]