Laden

Vertalingen [20]

de voordracht over ouderdom

Het leven is kort—
In minder dan honderd jaar ben je dood.
En wanneer je langer leeft
Sterf je van ouderdom.

Mensen treuren om wat ze als ‘mijn’ beschouwen
—Geen bezit is eeuwig.
Wie het bezitloze gezien heeft
Leeft het huiselijk leven niet.

De dood laat de mensen verliezen
Wat ze als ‘mijn’ beschouwen.
De Wijze die dit wéét
Is niet toegewijd aan ‘mijn’.

Wanneer men wakker wordt, ziet men niet
Wie men in zijn droom heeft ontmoet.
Zo ook ziet men zijn geliefden niet
Wanneer hun tijd is opgebruikt en ze dood zijn.

Zolang men ze kan zien en horen,
Worden mensen bij hun naam geroepen.
Wanneer ze dood zijn,
worden enkel hun namen verteld.

Wie hebzuchtig is naar ‘mijn’
Laat leed, wanhoop en zelfzucht niet los.
Daarom leeft de Wijze, die het grijpen heeft verleerd,
Een leven van veiligheid.

Een samana die ongebonden leeft
En zich aan zijn afzondering kwijt,
Beweegt zich in harmonie
Wanneer hij geen onderkomen heeft.

Volkomen onafhankelijk:
Daarom is koesteren en niet-koesteren voor de Wijze gelijk;
Wanhoop en zelfzucht druipen van hem af,
Zoals water van een blad afloopt.

Zoals een druppel van een blad afloopt
Of van een lotusbloem,
Zo ook loopt alles wat bekeken, gehoord of gedacht is,
Van de Wijze af.

Wie volkomen gelijkmoedig is,
En op deze manier gezuiverd,
Herkauwt niet,
Over wat bekeken—door iets anders—gehoord of gedacht is.
Het ‘mijn’ is vernietigd—
Hij is aan de wereld voorbij gegaan.

Commentaren [1]