Laden

Vertalingen [19]

de voordracht tot tissa metteyya

[Zegt Tissa Metteyya:]
‘Wil je, Heer, me de gevaren
Uitleggen van iemand die verslaafd is aan sex.
Naar ik gehoord heb, moet ik
Me harden in onthouding.’

[Zegt de Boeddha tot Tissa Metteyya:]
‘Voor hen, bezeten van sex,
Is de Leer verloren
En de beoefening een dwaling.
Iets on-edels neemt hen in bezit.’

Wie eerst celibatair geleefd heeft,
maar zich nadien heeft overgegeven aan sex,
Als een stuurloos voertuig,
Is een ordinair persoon,
Is een minderwaardig mens.

De eer en faam die men ooit bezat,
Zal stellig worden weggevaagd.
Wie dit ziet
Weet dat hij zich van sex moet onthouden.

Wie bevangen is door zulke gedachten [naar sex],
Zal branden als een ellendige sukkelaar.
Wanneer hij het misprijzen hoort van de anderen,
Zal hij nog wanhopiger worden.

De kritiek van de anderen
Zal zwaarden smeden.
Door grote hebzucht
Wordt onwaarheid geschapen.

Wie beslist heeft als celibatair te leven
Is een wijs man.
Wie zich vastklampt aan sex
Is een wanhopige gek.

De Wijze—zowel vroeger als later—
Die de gevaren onderkent,
Houdt het celibataire leven stevig omklemd
En zwelgt niet in het seksuele.

De Wijze, die zich bekwaamt in onthouding,
Is superieur.
De Wijze die zichzelf
Niet als superieur beschouwt,
Is Nibbana nabij.

Mensen, geketend aan sensuele verlangens,
Benijden de bevrijding van de Wijze
Die—zonder zorgen hieromtrent—
De stroom is overgestoken.

Commentaren [1]