Laden

Vertalingen [19]

Over Yasoja

Aldus heb ik gehoord.

Eens verbleef de Bhagavat in Savatthi in het Jetavana klooster, gelegen in het park van Anathapindika.

In die tijd kwamen vijfhonderd monniken, met aan het hoofd de Eerwaarde Yasoja, naar Savatthi om de Bhagavat te zien. Deze nieuw aangekomen monniken wisselden begroetingen uit met de monniken die in het Jetavana verbleven. Het toewijzen van de slaapplaatsen, het opslaan van de bedelnappen en het opbergen van de monnikspijen bracht heel wat lawaai en luidruchtigheid met zich.

De Bhagavat riep Eerwaarde Ananda naar zich toe en sprak als volgt:

“Wie zijn deze luidruchtige lieden, Ananda? Je zou haast denken dat het vissers op de vismarkt zijn!”

Eerwaarde Ananda:

“Vijfhonderd monniken, met Yasoja aan het hoofd, zijn naar Savatthi gekomen om U te zien. En deze nieuw aangekomen monniken wisselen begroetingen uit met de monniken die in het Jetavana verblijven. Het toewijzen van de slaapplaatsen, het opslaan van de bedelnappen en het opbergen van de monnikspijen brengt al dat lawaai en luidruchtigheid met zich.”

De Bhagavat:

“Wil jij dan, Ananda, in Mijn naam, tegen deze monniken zeggen: Eerwaarden, de Meester wil jullie spreken!”

“Dat zal ik doen, Heer”, zei Ananda tot de Bhagavat en hij begaf zich naar de plek waar die monniken zich bevonden. Daar aangekomen sprak hij hen als volgt toe:

“De Meester wil de Eerwaarden spreken.”

“Dat zullen we doen, Broeder”, zeiden deze monniken tot de Eerwaarde Ananda, en zij begaven zich naar de plaats waar de Boeddha zich bevond. Eenmaal daar aangekomen begroetten zij de Bhagavat respectvol en zetten zich terzijde. Wanneer zij daar gezeten waren, sprak de Bhagavat hen als volgt toe:

“Wat is de bedoeling van al dat lawaai en luidruchtigheid? Men zou haast denken dat jullie vissers op de vismarkt zijn!”

Nadat de Bhagavat dit gezegd had nam de Eerwaarde Yasoja het woord:

“Heer, deze nieuw aangekomen monniken zijn in Savatthi aangekomen om U te zien. En deze nieuw aangekomen monniken wisselden begroetingen uit met de monniken die in het Jetavana verblijven. Het toewijzen van de slaapplaatsen, het opslaan van de bedelnappen en het opbergen van de monnikspijen bracht al dat lawaai en luidruchtigheid met zich.”

De Bhagavat:

“Monniken, ik verzoek jullie weg te gaan. Het past niet dat jullie in mijn gezelschap verblijven!”

“Dat zullen we doen, Heer”, zeiden de monniken, en ze stonden op van hun zitplaatsen, groetten de Bhagavat respectvol en verlieten Hem door rechts om Hem heen te draaien, zochten hun slaapgerief, hun bedelnappen en monnikspijen bij elkaar en vertrokken naar het land van de Vajji. Op hun tocht naar het land van de Vajji bereikten zij de Vaggumuda-rivier waar zij op de oevers van deze rivier voor zichzelf hutten maakten van bladeren met de bedoeling om daar het regenseizoen door te brengen.

Toen riep de Eerwaarde Yasoja de monniken tesamen die daar het regenseizoen wilden doorbrengen en sprak hen toe als volgt:

“Vrienden, de Bhagavat—die het goed met ons voor heeft, die over ons heil waakt—heeft ons weggezonden uit mededogen. Vrienden, we moeten ons leven zo inrichten dat de Bhagavat vanaf nu tevreden over ons kan zijn.”

“Dat zullen we doen, Vriend”, antwoordden de monniken eensluidend. En die monniken realiseerden, afgezonderd van de mensen; met aanhoudende ijver; energiek en beheerst, tijdens dit regenseizoen, het drievoudige 'weten.'

Toen de Bhagavat dan, nadat hij in Savatthi verbleven had zolang het hem beliefde, zich naar Vesali begaf om vervolgens de stad, in etappen, te bereiken, verbleef hij daar in de Pagodehall in het Mahavana—het Grote Bos.

En nadat de Bhagavat zijn geest doordrongen had met de geest van deze monniken, riep Hij de Eerwaarde Ananda bij zich en zei:

“Het komt me voor dat het firmament in de richting waar de monniken verblijven aan de oevers van de Vaggumuda-rivier verlicht is—stralend van licht is. Het lijkt me een goed idee om daar naartoe te wandelen. Zend

een boodschapper, Ananda, naar deze monniken op de oevers van de Vaggumuda-rivier en laat hen weten dat de Meester de Eerwaarde Broeders wil bezoeken.”

“Dat zal ik doen, Heer”, zei de Eerwaarde Ananda tot de Bhagavat en hij begaf zich naar een monnik en zei tot hem:

“Ga, Vriend, naar de oevers van de Vaggumuda-rivier waar de monniken verblijven en zeg hen dat de Meester de Eerwaarde Broeders verlangt te zien.”

“Dat zal ik doen, Broeder”, zei de monnik tot de Eerwaarde Ananda en net zoals een sterke man zijn gebogen arm strekt of zijn gestrekte arm buigt, net op dezelfde manier verdween hij van de Pagodehall in het Mahavana en verscheen temidden van de monniken die verblijf hielden op de oevers van de Vaggumuda-rivier.

En deze monnik zei tot de monniken die op de oevers van de Vaggumuda-rivier verbleven het volgende:

“De Meester laat weten aan de Eerwaarde Broeders dat Hij hen wenst te zien!”

“Dat zullen we doen, Broeder”, zeiden de monniken eensluidend tegen deze monnik en ze zochten hun slaapgerief, hun bedelnappen en monnikspijen bij elkaar en net zoals een sterke man zijn gebogen arm strekt of zijn gestrekte arm buigt, net op dezelfde manier verdwenen zij van de oevers van de Vaggumuda-rivier en verschenen in de Pagodehall in het Mahavana rechtstreeks vóór de Bhagavat.

Op dat moment bevond de Bhagavat zich in bewegingsloze concentratie. De monniken vroegen zich af in welke geestestoestand de Bhagavat zich bevond. Toen beseften ze dat de Bhagavat zich in een toestand van bewegingloze concentratie bevond. En zij gingen allen zitten in dezelfde staat van bewegingsloze concentratie.

En nadat de eerste nachtwake op zijn einde liep, stond de Eerwaarde Ananda op, legde zijn monnikskleed over één schouder waarbij de andere schouder bloot bleef en boog met gevouwen handen naar de Bhagavat toe al zeggend:

“Heer, de nacht verstrijkt; de eerste nachtwake is ten einde en de nieuw aangekomen monniken zitten reeds lang. Mag ik u verzoeken dat u deze nieuw aangekomen monniken begroet?”

Toen deze woorden uitgesproken waren, bleef de Bhagavat onverstoord stilzwijgend zitten.

En nadat de tweede nachtwake op zijn einde liep, stond de Eerwaarde Ananda op, legde zijn monnikskleed over één schouder waarbij de andere schouder bloot bleef en boog met gevouwen handen naar de Bhagavat toe al zeggend:

“Heer, de nacht verstrijkt; de tweede nachtwake is ten einde en de nieuw aangekomen monniken zitten reeds lang. Mag ik u verzoeken dat u deze nieuw aangekomen monniken begroet?”

Toen ook deze woorden uitgesproken waren, bleef de Bhagavat onverstoord stilzwijgend zitten.

En nadat de derde nachtwake op zijn einde liep en de ochtend gloorde, stond de eerwaarde Ananda op, legde zijn monnikskleed over één schouder waarbij de andere schouder bloot bleef en boog met gevouwen handen naar de Bhagavat toe al zeggend:

“Heer, de nacht is verstreken; de derde nachtwake is ten einde en de ochtend gloort, en de nieuw aangekomen monniken zitten reeds lang. Mag ik u verzoeken dat u deze nieuw aangekomen monniken begroet?”

Toen deze woorden uitgesproken waren, rees de Bhagavat op uit zijn bewegingloze concentratie, riep de Eerwaarde Ananda naar hem toe en zei:

“Indien het tot je doorgedrongen was, zou je deze vragen niet gesteld hebben—Ik en deze vijfhonderd monniken hebben samen in bewegingloze concentratie gemediteerd.”

Toen de Bhagavat de betekenis hiervan in zichzelf realiseerde welde—bij die gelegenheid—volgende emotionele en geïnspireerde uitspraak spontaan in hem op:

“Wie de doornen van het verlangen vernietigd heeft,
Wie haat en hechting overwonnen heeft,
Staat stevig als een berg, onbeweeglijk—
Zulke monnik wordt niet getroffen door lief of leed!”

Commentaren [1]