Laden

Vertalingen [18]

Over bedelen

Aldus heb ik gehoord.

Eens verbleef de Bhagavat in Savatthi in het Jetavana klooster, gelegen in het park van Anathapindika.

In die tijd kwam een grote groep monniken terug van hun bedelronde. Nadat ze hun maaltijd genomen hadden verzamelden ze zich in de ronde Kareri-hall, waar zich volgend gesprek ontspon:

“Monniken, Broeders die op bedeltocht gaan zien soms met hun ogen aangename vormen; horen met hun oren aangename geluiden; ruiken met hun neus aangename geuren; proeven met hun tong aangename smaken en hebben met hun lichaam aangename aanrakingen.

Monniken, Broeders die hun bedelronde conform de regels uitvoeren worden geëerd, geëerbiedigd, gerespecteerd en hooggeacht. En naar hen wordt opgekeken: zij staan in hoog aanzien.

Komaan dus, monniken, laten ook wij op bedeltocht gaan.

En dan zullen ook wij soms met onze ogen aangename vormen zien; met onze oren aangename geluiden horen; met onze neus aangename geuren ruiken; met onze tong aangename smaken proeven en met ons lichaam aangename aanrakingen hebben.

Ook wij zullen geëerd, geëerbiedigd, gerespecteerd en hooggeacht worden. Ook naar ons zal opgekeken worden: ook wij zullen in hoog aanzien staan.”

Dit was het onderwerp van gesprek dat plots onderbroken werd doordat de Bhagavat, bij het vallen van de duisternis, uit zijn afzondering was opgestaan en zich naar de ronde Kaveri-hall had begeven. Eenmaal daar aangekomen zette Hij zich neer op de voorbehouden plaats en eenmaal gezeten richtte Hij zich tot de monniken met volgende vraag:

“Waarover, Monniken, ging het gesprek dat zich tussen jullie ontsponnen heeft bij jullie samenkomst. Wat was de aard van het gesprek dat ik door mijn komst onderbroken heb?”

De monniken antwoordden:

“Nadat we onze bedelronde beëindigd hadden, Heer, verzamelden we in de ronde Kareri-hall en zetten ons neer op onze plaatsen, waar de volgende bespreking zich ontspon:

Monniken, Broeders die op bedeltocht gaan, zien soms met hun ogen aangename vormen; horen met hun oren aangename geluiden; ruiken met hun neus aangename geuren; proeven met hun tong aangename smaken en hebben met hun lichaam aangename aanrakingen.

Monniken, Broeders die conform de regels hun bedelronde ondernemen, worden geëerd, geëerbiedigd, gerespecteerd en hooggeacht. En naar hen wordt opgekeken: zij staan in hoog aanzien.

Komaan dus, monniken, laten ook wij op bedeltocht gaan.

En dan zullen ook wij soms met onze ogen aangename vormen zien; met onze oren aangename geluiden horen; met onze neus aangename geuren ruiken; met onze tong aangename smaken proeven en met ons lichaam aangename aanrakingen hebben.

Ook wij zullen geëerd, geëerbiedigd, gerespecteerd en hooggeacht worden. Ook naar ons zal opgekeken worden: ook wij zullen in hoog aanzien staan.

Dit was het onderwerp van gesprek dat door ons gevoerd werd totdat het onderbroken werd toen de Bhagavat aankwam.”

De Boeddha sprak de monniken toe als volgt:

“Het past niet, Monniken, dat jullie, zonen van goede familie, die uit vertrouwen het huis verlaten hebben en de thuisloosheid zijn ingetrokken, dergelijke gesprekken voeren.

Wanneer jullie samenkomen, Monniken, kunnen jullie slechts twee dingen doen: ofwel een gesprek voeren over de Dhamma; ofwel jullie hullen in stilzwijgendheid.”

Toen de Bhagavat de betekenis hiervan in zichzelf realiseerde welde—bij die gelegenheid—volgende emotionele en geïnspireerde uitspraak spontaan in hem op:

“De monnik die bedelvoedsel ontvangt
En zo zichzelf onderhoudt zonder de hulp van anderen,
Wordt door de goden bemind
Als hij zich onthoudt van lof en roem!”

Commentaren [0]