Aldus heb ik gehoord.
Eens wandelde de Bhagavat van plaats tot plaats in het land van de Kosala’s, samen met een grote groep monniken.
Op een bepaald moment verliet de Bhagavat de weg en liep naar de voet van een boom en zette zich neer op een aangewezen plaats.
Een zekere veehouder benaderde de Bhagavat en toen hij daar aangekomen was, begroette hij Hem respectvol en ging terzijde zitten. Toen de veehouder gezeten was instrueerde, verblijdde en inspireerde de Bhagavat hem met een dhammatalk.
En de veehouder vroeg de Bhagavat, nadat hij door Hem geïnstrueerd, verblijd en geïnspireerd was het volgende:
“Zou het de Bhagavat, de Gezegende, verheugen indien ik Hem en zijn volgelingen uitnodig voor de maaltijd morgen?”
De Bhagavat stemde stilzwijgend toe.
En de veehouder die de stilzwijgende instemming van de Bhagavat bemerkt had stond op, groette de Gezegende en vertrok door rechts om Hem heen te draaien.
En nadat de veehouder in de loop van de nacht in zijn huis een grote hoeveelheid pap en botermelk had laten bereiden, liet hij aan de Bhagavat weten dat alles klaar was met de woorden:
“Heer, het is tijd. De maaltijd staat klaar.”
En zo omgordde de Bhagavat zich ’s ochtends met zijn gewaad, nam zijn bedelnap en monnikspij en begaf zich samen met zijn volgelingen naar het huis van de veehouder. Daar aangekomen zette hij zich neer op de Hem voorbehouden plaats. En de veehouder bediende zelf eerst de Bhagavat en dan zijn volgelingen met de pap en de botermelk.
Wanneer de Bhagavat zijn maaltijd genomen had en zijn bedelnap gewassen had, nam de veehouder een lage stoel en zette zich respectvol ter zijde. En terwijl hij daar zo zat instrueerde, verblijdde en inspireerde de Bhagavat hem met een dhammatalk.
Daarop stond de Bhagavat op van zijn stoel en vertrok.
Niet lang na het vertrek van de Bhagavat werd de veehouder door een andere man vermoord aan de dorpsgrens.
Toen begaven zich een groot aantal monniken naar de plaats waar de Verhevene zich bevond. Daar aangekomen begroetten zij de Bhagavat respectvol en zetten zich eerbiedig terzijde. Toen ze gezeten waren spraken zij als volgt tot de Bhagavat:
“De veehouder, Heer, die de Bhagavat en de Sangha vandaag een maaltijd van pap en botermelk aangeboden heeft en opdiende, werd door een andere man vermoord langs de dorpsgrens.”
Toen de Bhagavat de betekenis hiervan in zichzelf realiseerde welde—bij die gelegenheid—volgende emotionele en geïnspireerde uitspraak spontaan in hem op:
“Wat een vijand een vijand kan aandoen;
Of een boze man aan een boze man—
Een geest die op het slechte gericht is,
Kan iemand nog méér kwaad doen!”
Commentaren [0]