Aldus heb ik gehoord.
Eens verbleef de Bhagavat in Rajagaha, in het Veluvana—het Bamboe-bos, bij de Eekhoornvoederplaats.
In die tijd verbleven de Eerwaarden Sariputta en Mahamoggallana in de Duivengrot. En de Eerwaarde Sariputta zat daar op een zeker ogenblik neer, in de open lucht, met zijn haar pas afgeschoren, in een of andere concentratietoestand verzonken.
Op dat ogenblik vlogen twee bevriende yakkhas, van het noorden naar het zuiden voor één of andere zakelijke aangelegenheid.
En wanneer deze yakkhas de Eerwaarde Sariputta opmerkten, die in het maanlicht met een pas geschoren hoofd aan het mediteren was, zei de ene yakkha tegen de andere:
“Ik heb goesting om die samana een klap voor het hoofd te geven!”
Eenmaal deze woorden gesproken zei de tweede yakkha tegen de andere:
“Genoeg, Vriend, sla die samana niet. Hij is een erg bekend man, heel machtig en in het bezit van magische krachten!”
Een tweede keer zei die ene yakkha tegen de andere:
“Ik heb goesting om die samana een klap voor het hoofd te geven!”
Eenmaal deze woorden gesproken zei de tweede yakkha tegen de andere:
“Genoeg, Vriend, sla die samana niet. Hij is een erg bekend man, heel machtig en in het bezit van magische krachten!”
En een derde keer zei die ene yakkha tegen de andere:
“Ik heb goesting om die samana een klap voor het hoofd te geven !”
Eenmaal deze woorden gesproken zei de tweede yakkha tegen de andere:
“Genoeg, Vriend, sla die samana niet. Hij is een erg bekend man, heel machtig en in het bezit van magische krachten !”
Maar de ene yakkha luisterde niet naar de andere en hij verkocht een oplawaai op het hoofd van de Eerwaarde Sariputta. De slag bezat een dermate kracht dat het zelfs een olifant van zeven of van zeven en een halve el hoog zou geveld hebben. Of een bergtop zou gesplitst hebben.
En plots schreeuwde de yakkha die de slag gegeven had:
“Ik sta in brand! Ik sta in brand! “ en hij stortte neer in de hel.
De Eerwaarde Mahamoggallana, met zijn goddelijk oog dat het menselijk oog van verre overtreft had gezien dat de yakkha een reusachtige klap gegeven had aan de Eerwaarde Sariputta en spoedde zich naar hem toe. Hij zette zich naast hem neer en vroeg:
“Gaat het, Broeder? Is alles in orde? Heb je pijn?”
“Het gaat, Broeder Mahamoggallana. Alles is in orde. Alleen heb ik een beetje hoofdpijn.” antwoordde de Eerwaarde Sariputta.
“Hoe vreemd is dit, Broeder Sariputta! Hoe wonderbaarlijk, Broeder Sariputta! Hoe groot is de magische kracht; hoe groot is de kracht van de Eerwaarde Sariputta! Een yakkha heeft je net een klap voor je hoofd verkocht. En krachtig dat die klap was! Met die slag kon je wel een olifant van zeven of van zeven en een halve el hoogte vellen! Of een bergtop splitsen! En de Eerwaarde Sariputta zegt doodleuk: Het gaat, Broeder Mahamoggallana. Alles is in orde. Alleen heb ik een beetje hoofdpijn.”
En de Eerwaarde Sariputta sprak als volgt:
“Hoe vreemd is dit, Broeder Moggallana! Hoe wonderbaarlijk, Broeder Moggallana! Hoe groot is de magische kracht; hoe groot is de kracht van de Eerwaarde Moggallana! Dat je zelfs een yakkha kunt zien! Ik zie zelfs geen modderduivel.”
En de Bhagavat met zijn goddelijk zuiver gehoor, dat het horen van de mensen ver overstijgt, hoorde de conversatie die deze beide machtige helden voerden.”
Toen de Bhagavat de betekenis hiervan in zichzelf realiseerde welde—bij die gelegenheid—volgende emotionele en geïnspireerde uitspraak spontaan in hem op:
“Wiens geest, zoals een rots, niet beeft;
Wie vrij is van passie,
Wie niet boos is over wat boos maakt,
Wiens geest op deze wijze ontwikkeld is—
Hoe kan hij tot lijden komen?”
Commentaren [0]