Aldus heb ik gehoord.
Eens verbleef de Bhagavat in Savatthi in het Jetavana klooster, gelegen in het park van Anathapindika.
In die tijd werd de Bhagavat gerespecteerd, geëerd, met ontzag bejegend, geacht. Zo ontving de Bhagavat in overvloed de rekwisieten van een monnik: monnikspijen; bedelvoedsel, huisvesting en geneesmiddelen in geval van ziekte.
Maar ook de Sangha werd gerespecteerd, geëerd, met ontzag bejegend en geacht. Ook de Sangha ontving in overvloed de rekwisieten van de monniken: monnikspijen; bedelvoedsel, huisvesting en geneesmiddelen in geval van ziekte.
De rondtrekkende asceten van andere sekten werden niet hooggeacht, niet geëerd, niet gerespecteerd en stonden niet in hoog aanzien, zodat zij niet genoten van de schenkingen van de rekwisieten van een monnik, namelijk monnikspijen, bedelvoedsel, huisvesting en medicijnen in geval van ziekte.
Deze rondtrekkende asceten van andere sekten konden niet verdragen dat de Bhagavat en de monniken van de Sangha zo geëerd werden en zij begaven zich naar de plaats waar de rondtrekkende ascete Sundari zich bevond. Eenmaal op deze plaats aangekomen spraken ze als volgt tegen de rondtrekkende ascete Sundari:
“Zuster, zou jij iets willen doen voor je verwanten?”
Sundari zei:
“Wat moet ik doen, Eerwaarden? Wat wil je dat ik voor jullie doe? Ik zou mijn leven geven voor mijn verwanten.”
De Eerwaarden antwoordden haar als volgt:
“Zuster, ga veelvuldig naar het Jetavana.”
“Dat zal ik doen, Eerwaarden”, antwoordde de ascete Sundari aan de rondtrekkende asceten van de andere sekten en ze begaf zich veelvuldig naar het Jetavana.
En nadat de rondtrekkende asceten van de andere sekten er zich van verzekerd hadden dat veel mensen gezien hadden dat Sundari zich veelvuldig in het Jetavana vertoond had, lieten ze haar vermoorden en begroeven haar lichaam in een kuil van de greppel die rond het Jetavana liep. Nadien begaven ze zich naar de plaats waar koning Pasenadi van Kosala verbleef en ze spraken als volgt:
“Sire, de rondtrekkende ascete, Sundari, is verdwenen.”
“Waar vermoeden jullie dat ze is?”, vroeg de koning.
“In het Jetavana, Sire.”
“Zoek haar dan in het Jetavana”, zei de koning.
En de rondtrekkende asceten van de andere sekten zochten in het Jetavana, haalden haar lichaam uit de kuil van de greppel waar ze het hadden neergelegd, legden het lichaam op een draagbaar en liepen ermee de stad Savatthi in. Ze gingen van straat tot straat, van kruispunt tot kruispunt en zeiden tegen de toeschouwers:
“Ziehier mensen, ziehier het werk van de volgelingen van de Sakya-zoon! Schaamteloos zijn deze monniken. Immoreel zijn ze. Goddelozen. Leugenaars. Zedelozen!
Ze doen zich voor als volgelingen van de Dhamma, als vrome monniken, als heiligen die de waarheid spreken. Als deugdzame, goedaardige mensen!
Maar vergis jullie niet het zijn geen samanas; het zijn geen brahmanen. Ze hebben het pad van de samanas verlaten. Ze hebben het pad van de brahmanen verlaten. Waar bevindt zich hun pad van de samanas? Waar bevindt zich hun pad van de brahmanen? Ze zijn volledig afgedwaald van het pad van de samanas. Ze zijn volledig afgedwaald van het pad van de brahmanen. Hoe diep is een man gevallen die een vrouw vermoordt nadat hij eerst zijn driften op haar heeft botgevierd?”
Van toen af scholden de mensen van Savatthi de monniken uit wanneer ze hen zagen. Ze beledigden hen, vielen hen lastig en bestookten hen met ruwe en ongepaste woorden—als volgt:
“Schaamteloos zijn de volgelingen van de Sakya-zoon! Immoreel zijn ze. Goddelozen. Leugenaars. Zedelozen!
Ze doen zich voor als volgelingen van de Dhamma, als vrome monniken, als heiligen die de waarheid spreken. Als deugdzame, goedaardige mensen!
Maar vergis jullie niet het zijn geen samanas; het zijn geen brahmanen. Ze hebben het pad van de samanas verlaten. Ze hebben het pad van de brahmanen verlaten. Waar bevindt zich hun pad van de samanas? Waar bevindt zich hun pad van de brahmanen? Ze zijn volledig afgedwaald van het pad van de samanas. Volledig afgedwaald van het pad van de brahmanen. Hoe diep is een man gevallen die een vrouw vermoordt nadat hij eerst zijn driften op haar heeft botgevierd?”
Nadat een groot aantal monniken zich ’s morgens met hun gewaden hadden omgord, de bedelnappen en de monnikspijen hadden genomen en op bedeltocht Savatthi waren ingetrokken keerden ze naar het klooster terug om hun maaltijd te nemen. Nadien begaven ze zich naar de plaats waar de Bhagavat zich bevond. Eenmaal daar aangekomen begroetten zij Hem respectvol en zetten zich eerbiedig terzijde. Eenmaal gezeten zeiden deze monniken het volgende tegen de Bhagavat:
“Heer, telkens wanneer de inwoners van Savatthi monniken zien beledigen ze hen, vallen hen lastig en bestoken hen met ruwe en ongepaste woorden—als volgt:
“Schaamteloos zijn de volgelingen van de Sakya-zoon! Immoreel zijn ze. Goddelozen. Leugenaars. Zedelozen!
Ze doen zich voor als volgelingen van de Dhamma, als vrome monniken, als heiligen die de waarheid spreken. Als deugdzame, goedaardige mensen!
Maar vergis jullie niet het zijn geen samanas; het zijn geen brahmanen. Ze hebben het pad van de samanas verlaten. Ze hebben het pad van de brahmanen verlaten. Waar bevindt zich hun pad van de samanas? Waar bevindt zich hun pad van de brahmanen? Ze zijn volledig afgedwaald van het pad van de samanas. Volledig afgedwaald van het pad van de brahmanen. Hoe diep is een man gevallen die een vrouw vermoordt nadat hij eerst zijn driften op haar heeft botgevierd?”
De Bhagavat antwoordde:
“Deze toestand, Monniken, zal niet lang meer duren. Het zal slechts zeven dagen aanhouden. Het zal een einde nemen aan het einde van de zevende dag. Daarom, Monniken, moeten jullie de mensen die jullie met zulke woorden beledigen, als volgt van antwoord dienen:
“Wie leugens vertelt gaat naar de hel.
Ook hij die iets gedaan heeft en loochent: 'dat was ik niet'.
Dit soort mensen van laag allooi,
Ondergaat hetzelfde lot na de dood! “
En deze monniken, die dit vers in de aanwezigheid van de Bhagavat uit het hoofd leerden, replikeerden hiermee op de mensen die hen beledigden op volgende wijze:
“Wie leugens vertelt gaat naar de hel.
Ook hij die iets gedaan heeft en loochent: 'dat was ik niet'.
Dit soort mensen van laag allooi,
Ondergaat hetzelfde lot na de dood!“
En de mensen van Savatthi zegden tegen elkaar:
“Deze samanas, deze zonen van de Sakya, hebben dit niet gedaan. Zij zijn onschuldig. Deze monniken, deze zonen van de Sakya’s, roepen hun onschuld uit.”
Op deze manier hield deze toestand niet lang aan. Het duurde slecht zeven dagen. Het nam een einde aan het einde van de zevende dag.
En een aantal monniken begaf zich naar de plaats waar de Bhagavat zich bevond. Daar aangekomen begroetten zij de Bhagavat, draaiden respectvol om Hem heen en zetten zich eerbiedig terzijde neer. Eenmaal neergezeten zeiden zij het volgende tot de Bhagavat:
“Het is vreemd, Heer; het is wonderbaarlijk! Hoe juist waren de woorden van de Bhagavat—“dat deze toestand niet lang meer zou duren. Dat deze toestand slechts zeven dagen zou duren. Dat deze toestand een einde zou nemen aan het einde van de zevende dag”. Heer, de toestand heeft een einde genomen.”
Toen de Bhagavat de betekenis hiervan in zichzelf realiseerde welde—bij die gelegenheid—volgende emotionele en geïnspireerde uitspraak spontaan in hem op:
“Wie zich niet beheerst, doorboort anderen met zijn woorden
Zoals een vechtolifant doorboort wordt met pijlen.
Een monnik die ruwe taal moet aanhoren
Moet dit over zich laten gaan met een onbezoedelde geest!”
Commentaren [1]
English