Aldus heb ik gehoord.
Eens verbleef de Bhagavat in Anupiya, in het Mango-bos. Eerwaarde Bhaddiya, de zoon van Kaligodha, had de gewoonte zich terug te trekken in de wildernis, waar hij dan verbleef aan de voet van een boom of op een eenzame plaats. Voortdurend riep hij uit:
“Wat een geluk! Wat een geluk!”
En een aantal monniken hoorden de eerwaarde Bhaddiya deze woorden geëmotioneerd uitroepen wanneer hij in de wildernis rondwandelde, of wanneer hij verbleef aan de voet van een boom of op een eenzame plaats:
“Wat een geluk! Wat een geluk!”
Wanneer de monniken hem zo bezig hoorden, zegden ze tegen elkaar:
“De Eerwaarde Bhaddiya moet ongetwijfeld erg ongelukkig zijn met het heilige leven dat hij nu leidt. Vroeger genoot hij volop van de geneugten van een koninklijk bestaan en nu loopt hij in de wildernis rond, zit neer aan de voet van een boom en verblijft op eenzame plaatsen. Wanneer hij terugdenkt aan het verleden, herhaalt hij telkens emotioneel volgende woorden: “Wat een geluk! Wat een geluk!”
En een aantal monniken begaf zich naar de plaats waar de Bhagavat zich bevond. Ze gingen naar hem toe, begroetten hem respectvol en zetten zich terzijde. Eenmaal gezeten spraken zij als volgt tot de Bhagavat:
“Wanneer de eerwaarde Bhaddiya door de wildernis rondwandelt, Heer, zich neerzet aan de voet van een boom of op eenzame plaatsen verblijft, dan herhaalt hij emotioneel volgende woorden: “Wat een geluk! Wat een geluk!” De Eerwaarde Bhaddiya moet ongetwijfeld erg ongelukkig zijn met het heilige leven dat hij nu leidt. Vroeger genoot hij volop van de geneugten van een koninklijk bestaan en nu loopt hij in de wildernis rond, zit neer aan de voet van een boom en verblijft op eenzame plaatsen. Wanneer hij terugdenkt aan het verleden, herhaalt hij telkens emotioneel volgende woorden: “Wat een geluk! Wat een geluk!“
De Bhagavat riep één van de monniken bij zich en zegde:
“Ga in mijn naam naar de Eerwaarde Bhaddiya en zeg hem dat de leraar hem wil spreken.”
“Dat zal ik doen, Heer”, zegde de monnik tegen de Bhagavat, en hij begaf zich naar de Eerwaarde Bhaddiya, de zoon van Kaligodha.
Daar aangekomen zegde hij:
“Vriend Bhaddiya, de Bhagavat heeft me naar u toe gezonden met de melding dat Hij u wil spreken.”
“Dat zal ik doen, Vriend”, zei Bhaddiya en hij begaf zich naar de plaats waar de Bhagavat verbleef. Daar aangekomen ging hij naar de Verhevene toe, begroette hem respectvol en ging terzijde zitten. Eenmaal daar gezeten sprak de Bhagavat de Eerwaarde Bhaddiya als volgt toe:
“Is het juist, Bhaddiya, wat ik hoor dat jij steeds de volgende woorden geëmotioneerd herhaalt “Wat een geluk! Wat een geluk!“ wanneer je in de wildernis rondwandelt, aan de voet van een boom neerzit of op eenzame plaatsen verblijft? En zo ja, wat is de betekenis van deze woorden die jij zo geëmotioneerd herhaalt wanneer je door de wildernis rondwandelt, aan de voet van een boom neerzit of op eenzame plaatsen verblijft?”
Bhaddiya antwoordde:
“Vroeger, Heer, genoot ik de geneugten van een koninklijk bestaan en ik werd bewaakt en beschermd zowel binnen als buiten de muren van het paleis; zowel binnen als buiten de stad; zowel binnen als buiten mijn land.
Op deze manier bewaakt en beschermd, leefde ik in een toestand van angst, van wantrouwen en van agitatie. Maar nu, Heer, wandel ik rond in de wildernis, zet me neer aan de voet van een boom en verblijf op eenzame plaatsen. Zo breng ik nu mijn dagen door zonder angst, rustig, vol vertrouwen, zonder schrik, comfortabel, ondersteund door giften van voedsel en kledij. Mijn hart is zo vrij als dat van een gazelle. Het is om die reden dat ik voortdurend de woorden uitroep “Wat een geluk! Wat een geluk!” wanneer ik in de wildernis rondwandel, me aan de voet van een boom neerzet of op eenzame plaatsen verblijf.”
Toen de Bhagavat de betekenis hiervan in zichzelf realiseerde welde—bij die gelegenheid—volgende emotionele en geïnspireerde uitspraak spontaan in hem op:
“In wie geen innerlijke beroering bestaat,
Wie voorbij alle vormen van bestaan gegaan is,
Zo iemand is vrij van angst, gelukkig en zonder verdriet—
Zelfs voor de goden is zo iemand onzichtbaar!”
Commentaren [1]
English